Niets

Als Albert Einstein zegt dat het hele universum, inclusief ruimte en tijd uit het niets komt, dan is dat niet in de eerste plaats een probleem van de wereld, maar van de taal zelf. Het lidwoord het laat meteen zien dat we ons laten misleiden door de grammatica van de taal, er is geen entiteit niets! Ludwig Wittgenstein zou zeggen dat niets een woord is dat onzegbaar is. Binnen de taaltheorie zouden we vaststellen dat de betekenaar geen betekende heeft, het heeft geen verwijzing. Niets is geen empirisch gegeven, we kunnen geen ervaring hebben met niets. Niets doen is een zinloze opmerking, we doen altijd iets. Dezelfde Ludwig Wittgenstein zocht de grenzen van de (empirische) taal op, de grenzen van de taal zijn de grenzen van mijn wereld. Beter zou zijn geweest om te kijken naar de oorsprong van de taal, niets. In het woord niets ligt het mystieke van de wereld besloten, de taal dwingt mij hier tot overgave, hier heb ik de grens van het vermogen tot kennen bereikt. Zoals Friedrich Nietzsche terecht stelt, wijsheid is grenzen stellen aan het kennen.

Heb je eenmaal de logica achter niets doorzien, dan begrijp meteen waarom wij een verkeerde verstandhouding met ruimte, leegte hebben; horror vacui. Ruimte is namelijk wel een entiteit behorend tot de materiële wereld zelf, is dus materie. Lege ruimte is iets, dus geen niets, ten onrechte schuiven we niets onder in de betekenis van leegte. Ten onrechte leven we dan ook in de illusie als zouden we ervaring kunnen hebben met niets. Albert Einstein stelt terecht dat ook ruimte en tijd uit niets is ontstaan, wij kunnen echter ons in het geheel geen voorstelling maken van iets zonder tijd en ruimte. In zijn eigenlijke betekenis va niets is het zelfs niet eens denkbaar dat daar een universum uit zou kunnen ontstaan. Alles wat gezegd kan worden, kan helder gezegd worden, over het andere zouden we kunnen zwijgen (Ludwig Wittgenstein). Ik zou het anders willen uitdrukken; alles wat zich in onze ervaring bevindt kan gezegd worden, wat buiten onze ervaring bevindt, het mystieke, daarover zouden we MOETEN zwijgen. Ludwig Wittgenstein heeft met de empirische taal de wereld een beetje te klein gemaakt!

De geschiedenis van niets verteld ons verrassend veel over de taal zelf, het betekenisproces. De evolutie van de taal. Was het niet geniaal dat de Babyloniërs geen teken voor niets hadden en wij er tegenwoordig een bibliotheek aan betekenis aan niets hebben toegevoegd? Louis van Gaal werd een kwaad en riep; ‘ben jij nou zo dom, of ben ik nou zo slim?’ Ieder mens en ieder volk ontwikkeld zichzelf een wonderlijke spreekwijze. Laten we er het op houden dat de Babyloniërs wat dichter bij niets stonden. ‘De groei van kennis’ (Karl Popper) is daarmee weerlegd.

Stephen Hawkings schijnt aan het eind van zijn leven te hebben gezegd dat niets het absolute is. Zou hij aan het eind van zijn leven voor zijn verdienstelijke staat van dienst toch nog Gods licht hebben mogen aanschouwen?

Kennis

Er is geen woord dat zo veel is in zijn betekenis, maar daardoor tegelijkertijd zo leeg is als een woord kan zijn. Wat is kennis? Of zoals de christelijke wolf in Verlichtingskleren Immanuel Kant dezelfde vraag op een ander object  stelde, maar uiteindelijk de oorzaak van het probleem in beide gevallen niet boven water kon toveren, want toveren met woorden kon hij, omdat hij zich de meest simpele vraag niet stelde. Wat bedoel je nu eigenlijk met wat? Een simpele vraag, maar bijzonder moeilijk om daar antwoord op te geven. Belangrijk is te beseffen dat je de vraag naar het wat van het wat niet kunt stellen, je komt immers in een cirkelredenering terecht. Als het wat van het wat niet beantwoord kan worden, dan rest de vraag waarom je met deze vraag in een cirkelredenering belandt. Natuurlijk kan ik in logische zin daar in één zin antwoord op geven, maar dan ga je voorbij aan het bijzondere werk dat dit woordje verricht in de taal, namelijk die van de betekenis verlenende instantie. Kijken we goed naar de functie van dit kleine woordje wat in de taal, dan zou je op moeten merken dat het woord zichzelf projecteert over andere woorden. Dat kan ook niet anders daar dit kleine woordje de betekenis tot stand brengt. Wat is een ding, Ding an sich van Immanuel Kant bijvoorbeeld, het wat projecteert zichzelf in het woord ding, door te begrijpen hoe dit woordje functioneert binnen de taal, begrijp je ook hoe taalconcepten tot stand komen. Het zijn niet de dingen die de dingen maken, maar binnen de functie van het wat worden de dingen tot dingen gemaakt, de taalhandeling wat maakt de dingen tot dingen. Welke taalhandeling verricht je nu precies dat de dingen tot dingen maakt? Als een wetenschappers spreekt over bijvoorbeeld ‘wat de oorzaak is’, spreekt hij zich onbewust in absolute zin uit, dat komt omdat het in de functie van het wat ligt om de dingen tot totaliteit te maken, de dingen op-zich-zelf te laten zijn. Het is de functie van het wat, de taalhandeling die het één van het ander scheidt en wel in de hoedanigheid dat het één van het ander verabsoluteerd wordt. Het taalconcept van een transcenderend ding lag reeds besloten in de ideeënleer van Plato, taalevolutie, een evolutie dat gepaard gaat met betekenisoverdracht. Het feit dat er niets is dat kan transcenderen, boven de natuur kan uitstijgen heeft te maken met een evolutieproces waarvan de oorsprong ver en ver voor het geschreven schrift ligt. Feit is wel dat goed kan worden aangetoond dat het dualisme binnen de periode van het schrift steeds verder is geradicaliseerd. Ik zou bijna willen zeggen dat de Copernicaanse wending de voltooiing van het dualisme inluidde. Het zijn niet de dingen die willen transcenderen, het is de wil van een geest dat absolute geest wil zijn. De populariteit van Georg Wilhelm Friedrich Hegel is nog steeds zeer groot. Dat denkinhoud equivalent zijn aan de empirie is nu bijna niet meer denkbaar, toch is het logisch om de eenhoorn gelijk  te stellen aan een empirisch paard, filosofische problemen worden opgelost door deze gelijkstelling te durven maken, imaginaire ordes, imaginaire wat aan mensen wordt geplakt, alles lost zich op, met de betekenis scheppen we de wereld. Als het imaginaire niet (echt) bestaat,zou zou dat dan beteken dat het denken niet bestaat? Dat zou beantwoord worden met, nee, dat WAT u denkt bestaat niet, een wat dat zich dan logischer wijze buiten de natuurlijke orde zou moeten bevinden. Ik denk dat veel wetenschappers het tegenwoordig wel met mij eens zullen zijn dat dit een betekenisschema is dat zijn langste tijd heeft gehad. We kunnen niet denken dat niet bestaat, als het iets voor het eerste gedacht is, dan is dat tot bestaan gebracht, evolutie van taal verschilt hier niet van alle andere levensprocessen.

Waarheid

Er wordt wel eens gezegd dat wetenschap het hoe van de wereld onderzoekt. Een grotere onzin is bijna niet denkbaar, want het grote probleem is nu juist dat elk hoe een wat verlangt. Juist in het wat ontstaan alle problemen met betrekking tot waarneming en betekenisverlening. Terecht stelt Ludwig Wittgenstein dat de wetenschap uiteindelijk alleen het dát van de wereld kan ontwaren. Vragen naar  het waarom van dit dat, valt buiten het kennend vermogen. Nu kun je kun je het waarom op verschillende wijze uitleggen (Friedrich Nietzsche; uitlegkunst), betekenen, maar in zekere zin is het vragen naar het waarom van de wereld geen wetenschappelijke vraag. Merk ook op dat wetenschappers die zich in termen van het waarom uitspreken hun eigen kenvermogen verabsoluteerd hebben. Volgens mij is het zo dat absolute kennis in strijd is met de methodiek van een behoorlijke wetenschap. Primair heeft kennis betrekking op standen van zaken die zich voortbewegen in ruimte-tijd, uit de voortbeweging van deze standen van zaken kunnen we uit die standen van via wiskunde voorspellingen doen over het toekomstig gedrag van materie. Niet dat ik alle logica van Ludwig Wittgenstein ten volle begrepen heb, maar mijn inziens heeft hij nagelaten hoe die zaken in het wat van de wereld wordt uitgedrukt. Dit wat is namelijk altijd afhankelijk wat je als waarnemer als uitgangspunt neemt. Dat uitgangspunt wordt voor de wetenschapper weer bepaald welke soort kennis je uit dit wat wilt halen. Zo kan ik bijvoorbeeld de zon als uitgangspunt nemen, maar ik kan ook de melkwegstelsel als uitgangspunt nemen, afhankelijk waar je naar op zoek bent. Elk gefilosofeer over Ding-an-Sich, objecten, subjecten en ga zomaar door is vruchteloos op het moment dat je niet weet wat de betekenis verlenende instantie, het wat van de wereld, precies doet. In psychologische zin bepaald het wat van de wereld ons perspectief van de wereld. Zo onderzoekt de socioloog de maatschappij en de psycholoog het individu, maar om inzichtelijk te krijgen hoe de samenhang van de standen van zaken functioneren, moet een goed socioloog een goed psycholoog zijn en andersom een psycholoog een goed socioloog. Specialisatie van de wetenschap is de dood van de wetenschap. We worden allemaal slaven van ons eigen perspectivisme.

Na goed instrumentalistisch gebruik is het algemene, het universele, geen kennis zoals kennis betekent zou moeten worden. Elke universele verklaring is niet meer dan instrument om het individuele te bepalen. Bijvoorbeeld de wetten van Newton of Einstein zijn instrumenten, geen kennis. Daar waar het individuele niet voldoet aan het algemene hebben we meestal met een wetenschappelijke crisis van doen. Het wat van de wereld, wat is dan bijvoorbeeld E=mc2?  E=mc2 is een wat van de wereld waarin kennis ontleent wordt hoe wij deze formule gebruiken. Als een wetenschapper mij zegt dat deze formule kennis is, dan weet ik ook hoe hij deze formule gebruikt, iemand de je de oren eerst stuk zou moeten slaan, wil hij leren met zijn ogen te luisteren! Hier volgt iets anders uit, namelijk dat het universele de bepaling is van ons mechanische wereldbeeld. Een mechanisch wereldbeeld dat zich noodzakelijkerwijze voltrekt. Is niet elke psychiater een tiran, een hater van het individuele, dat de patiënt wil vangen in zijn totaliserende denken en de patiënt tot zijn noodzakelijkheid maakt? Een patiënt dat misschien wel oneindig anders wil zijn? De strijd om het bestaan is per definitie een actieve kracht en kan nooit geheel verklaard worden in een evolutionair aanpassingsproces. Dat wil niet zeggen dat evolutiebiologen ongelijk hebben, het wil zeggen dat ze deels ongelijk hebben. Een actieve kracht sluit een universeel noodzakelijk mechanisch wereldbeeld uit. Actief wil zeggen een kracht van binnenuit, terwijl het noodzakelijke altijd een van buitenaf is. Binnen en buiten zal ik nog uitvoerig bespreken. Voor nu wil ik mij beperken dat het wat van de wereld ons perspectief op de wereld bepaald. Causaal klopt dit echter niet. Zo maken wij bijvoorbeeld geen gereedschap buiten het lichaam, maar breiden we het lichaam uit, dit buiten is een illusie, verandering van perspectief leidt ertoe dat we precies hetzelfde doen als wat de rest van de natuur al 3.500.000.000 doet.

Primaire kennis kan alleen over die standen van zaken gaan die noodzakelijkerwijze aan ons voordoen, die universeel zijn. Dat wil zeggen een deterministisch mechanisch wereldbeeld waarin een geval in ruimte-tijd maar een gevolg heeft. Uit het andere kun je namelijk geen voorspellingen doen. Mij valt niet aannemelijk te maken dat levensprocessen, de strijd om het bestaan, volledig aan een dergelijk universeel wereldbeeld zou kunnen voldoen. Dat vraagt om uitleg over het toeval van Charles Darwin, wat ik later zal doen. Voor nu is het belangrijk te beseffen dat bij het ontbreken van een universeel wereldbeeld met betrekking tot levende processen dit als gevolg heeft dat waar en waarheid twee verschillende domeinen zijn. De wetenschap kan alleen uitspraken doen die logisch noodzakelijkerwijze waar zijn. Met andere woorden wetenschap spreekt zich niet uit over waarheid. De wetenschap spreekt zich alleen uit over die standen van zaken die universeel zijn, althans in het ideale geval. Wat is waarheid dan? Waarheid zijn die standen van zaken waarin het geval tot gevolg niet perse universeel hoeft te zijn. Mogelijkheid. In het maken, doen, facimus ontvouwt zich de waarheid, waarvan het wezen niet universeel is maar mogelijkheid. Waarheid is wat we ervan maken, zolang ik geloof in vrijheid, dus de toekomst niet universeel vastligt, kan waarheid alleen gevonden worden in wat de mens ervan maakt. Een vrijheid dat niet absoluut is, maar afhankelijk is van de mogelijkheidsvoorwaarden die de materiële wereld heeft. Ook op genetisch niveau komt steeds meer naar voren dat in het aanpassingsproces organismen verschillende mogelijkheden hebben tot aanpassing, muterende genen. Muterende genen zijn echter geen schrijffoutjes zonder meer, dat kan voorkomen, ziektes bijvoorbeeld, maar is het evolutieproces zelve. 



De taal plaatst de mens buiten de natuurlijke orde

Een filosofe schreef dat Friedrich Nietzsche zichzelf als dier probeerde te onderzoeken. Ik ben een denker en geen filosoof, de filosoof van vandaag is een academicus die het denken is verleerd. Het is nu juist Friedrich Nietzsche die zich goed bewust was van de grammaticale vorm van deze zin. In de zin namelijk ligt al besloten dat je jezelf buiten het dier hebt geplaatst, de grammaticale vorm plaatst de mens buiten de natuurlijke orde. Om de positie van het perspectief van Friedrich Nietzsche te benaderen moet je eerst dier zijn.

Het denken van Friedrich Nietzsche begrijpen is het denken van Friedrich Nietzsche toepassen. Friedrich Nietzsche’s verdienste was onder meer het inzicht dat we metafysische dieren zijn. Het dier Friedrich Nietzsche wilde boven de horizon van het dier Friedrich Nietzsche proberen uit te stijgen. Om daar boven uit te stijgen moet je dus eerst de metafysica afschaffen, wegdenken. Er is geen metafysica, er is geen transcendentale wereld, alle achterwerelden zijn illusies. Vaak wordt Friedrich Nietzsche de laatste metafysicus genoemd. Heidegger heeft colleges gegeven over de metafysica van Friedrich Nietzsche, dat schiet dus niet op.