Eigentijdse interpretatie op Friedrich Nietzsches Wil tot Macht

Friedrich Nietzsche bezat over een aantal vermogens dat hem de mogelijkheid gaf om de mens te aanschouwen als een dier. Friedrich Nietzsche was bijzonder introvert waardoor hij het vermogen bezat zichzelf te onderzoeken. Daarnaast had Friedrich Nietzsche een feilloos taalgevoel en was hij er zich ook diep bewust van waar die taal vandaan kwam. De taal van een dier. Een uitzonderlijk vermogen dat Friedrich Nietzsche bezat was de volledige compromisloosheid tussen waarheidsvinding van zijn Zijn als dier en het eigen gevoel. Een volstrekte transparantie naar het eigen wezen waarin alle tegenstrijdige emoties, alle zaken die we in onszelf liever niet willen zien te erkennen als het dier wat zichzelf niet wil zijn. Want het is in de aard van de mens zo dat de mens geen dier wil zijn. Als er al sprake is van dat de mens erkent dat het een dier is dan heeft het alsnog een probleem, namelijk dat de taal over een lange periode is geëvolueerd op een wijze dat de taal zichzelf ontkent als dier. Het ligt in de taal zelf besloten dat de mens zichzelf buiten de natuurlijke orde plaatst. Macht, het thema van Friedrich Nietzsche, verwees niet naar de mens, maar naar het dier, het dier achter de taal. Hier doet zich een probleem voor, want als het de taal zelf is dat de mens buiten de natuurlijke orde plaatst, zichzelf ontkent als dier, hoe kom je dan bij het dier uit? Friedrich Nietzsche heeft daarvoor verschillende ideeën over bedacht, zo verwerpt Friedrich Nietzsche metafysica en beschouwd hij deze als achterwerelden, menselijke verzinsels alsof er een wereld zou bestaan buiten deze natuurlijke orde. Verschillende ideeën van Friedrich Nietzsche leiden ertoe dat bij de uitspraak ‘mens en dier’ de mens wordt weggestreept en dat alleen dier overblijft. Hiermee wordt de tegenstelling tussen mens en dier opgeheven. In mijn optiek zouden we binnen de taal het omgekeerde moeten doen dan dat we thans doen. De loop van de ontwikkeling van de taal wil dat er sprake is van betekenisuitbreiding, voortdurend wordt aan de wereld betekenis toegevoegd. Maar waar komt deze betekenisuitbreiding vandaan? Welke krachten, welke macht doet deze betekenisuitbreiding ontstaan? Daar is Friedrich Nietzsche helder over, we zijn kuddedieren. Hier wordt Friedrich Nietzsche vaak verkeerd begrepen, mensen die denken zich te kunnen onderscheiden van het kuddedier. Nu laat hij de mogelijkheid open dat die mogelijkheid er is, een rol dat is weggelegd voor de übermensch, maar we ontkomen er niet aan dat we zijn ingebed in een taalgemeenschap, de taal zelf is een kudde taal, we kunnen nooit ontkomen aan de kudde omdat dit ingebed is in het functioneren van de taal zelf. Hoe functioneert dit taaldier? Zoals alle ander kuddedieren waarin de dieren strijden om de hoogste rangorde binnen de groep. De taal zelf is het product van een machtsstrijd om hoogste in de rangorde te komen staan. Daarvoor is bij Friedrich Nietzsche een speciale rol weggelegd voor waarheid, wat heeft waarheid met deze strijd van doen? Niets! Waarheid definieer ik anders dan Friedrich Nietzsche, bij mij gaat het om de representatie van autoriteit, deskundigheid en waarheid. Deze samenbundeling maakt het of je de hoogste in rangorde kunt worden. Heb je deze representatie bereikt binnen de groep, dan heb je de meeste macht over ‘de strijd over het bestaan van de betekenis’. Maar als waarheid in deze strijd niet van belang is, moeten we de ontwikkeling van de betekenisuitbreiding niet eerst stoppen, moeten we de betekeniswereld die uit deze strijd is ontstaan niet eerst afbreken. Moeten we niet eerst stoppen met deze strijd, een strijd dat de tekens gebruikt als middel van macht over de ander? Moeten we niet als eerste onze macht, onze levensenergie richten op het teken zelf?

Zelf ben ik nog een stap verder gegaan dan Friedrich Nietzsche. Als er alleen deze wereld is, alle achterwerelden opgeheven moeten worden,wat hij overigens doet door de ware wereld op te heffen, dan dienen we eveneens de tegenstelling tussen denken en Zijn, of denken en natuur, dan wel denken en empirie op te heffen. Dat betekent dat denken precies dezelfde bestaansrecht heeft als de empirie zelf, alles wat zich als imaginair aan ons voorkomt behoord op gelijke wijze behandeld te worden. Een eenhoorn bestaat niet meer of minder dan de paarden die we in de empirie kunnen waarnemen. Dit komt in eerste instantie ons vreemd voor, maar het lost veel problemen op. Sneeuwwitje bestaat niet meer of minder dan prinses Maxima. De status van prinses in het geval van Maxima is namelijk niet meer of minder verzonnen dan sneeuwwitje. Wij ervaren dit verzinsel als echt, als empirisch waarneembaar omdat dit verzinsel is toegevoegd aan een levende vrouw. Echter dit verzinsel als imaginair op te vatten brengt ons in nog grotere problemen want dat zou betekenen dat denken zelf een achterwereld is, een wereld buiten de bestaande wereld. In het vermogen om betekenis te geven scheppen wij de wereld. Worden nieuwe levensvormen in de wereld tot stand gebracht zoals de evolutie steeds weer nieuwe levensvormen tot ontwikkeling brengt in de strijd om het bestaan. Zo kan Harrari spreken over imaginaire orde, het denken creëert imaginaire ordes. Zo is bijvoorbeeld geld een imaginaire orde. Maar het valt moeilijk te ontkennen dat geld zo reëel is als het maar zijn kan en dat wat tot bestaan gebracht is door het denken eveneens effect sorteert op ons doen en laten. En wat effect sorteert daarvan kan niemand ontkennen dat dit iets is wat bestaand moet zijn. Inderdaad sorteert ook sneeuwwitje effect uit op onze gemoedstoestand, hoe zou iets effect kunnen sorteren als het niet bestaat? Het lijkt mij duidelijk dat het hier een taalproblematiek betreft. Een taalproblematiek dat op ongelukkige wijze denken tegenover de plaatst. Door deze tegenstelling op te heffen kunnen we vaststellen dat denken een natuurlijk proces is zich voltrekt als alle andere organische processen. Hoe dichter we mij het dier uitkomen, hoe meer aanschouwelijk wordt dat in het spreken de natuur zich voltrekt, de natuurlijke krachten zich voltrekken. Natuurlijke krachten die het vermogen bezitten om nieuwe levensvormen te ontwikkelen die stand kunnen houden in de omgeving waarin ze verkeren, zo ontwikkeld taal en betekenis ook weer nieuwe levensvormen waarin het zich kan gedijen in het habitat waarin het leeft. Terecht wees Friedrich Nietzsche de interpretatie van de evolutietheorie van zijn tijd af (die nog steeds gelden). Waar de levenloze processen passieve processen zijn, zijn de levende processen actieve processen, maar zijn eigen dwaling is de levende processen in mechanisch opzicht gelijk te stellen met de levenloze processen (De vraag is wel hoe Friedrich Nietzsche gedacht zou hebben met de kennis van nu. Friedrich Nietzsche leefde in de tijd van het Newtoniaanse wetenschap. Kennis over bijvoorbeeld kwantummechanica was er toen niet, dat het gedrag van materie spooky kon zijn zoals Albert Einstein dit uitdrukte, was hem volledig onbekend). Actieve processen komen van binnenuit, passieve processen worden veroorzaakt van buitenaf dat is ingebed in Wittgensteins eerste uitspraak ‘De wereld is alles, wat het geval is’ (Ludwig Wittgenstein, Tracatus logicus philosophicus). Wat hier als binnen of buiten opgevat dient te worden is een lastige vraag die ik in een volgend artikel zal verduidelijken. Voor nu is het voldoende wast te stellen dat de krachten achter taal en betekenis dezelfde zijn als alle andere levensprocessen, maar dat deze anders van aard zijn dan de mechanische processen van de levenloze natuur. Achter taal en betekenis gaan scheppende krachten schuil die nieuwe levensvormen produceren gelijk aan de evolutie van andere levensvormen.

Wil tot macht, wat is het om een dier te zijn, wil tot macht wat is het om een nihilist te zijn? Tegen welke achtergrond zouden De ideeën van Friedrich Nietzsche met betrekking tot de wil tot macht en zijn ideeën over nihilisme met elkaar in verband kunnen brengen? Er is geen waarheid, er is geen metafysische logica dat ons verteld welke moraal de juiste is, waar moet deze wil tot macht naar toe? In de huidige ideeën over de evolutietheorie van Darwin ontbreekt teleologie. De evolutie rommelt maar wat aan waarbij ieder moraal lijkt te ontbreken, een wil tot macht dat zich enkel met de strijd om het bestaan lijkt bezig te houden. De wetenschap is helder, mensen hebben moraal, alle andere organismen hebben dat niet. De wil tot macht van de mens heeft zich hier weer een andere plek in de ruimte toebedacht, een logisch punt in de ruimte, waarin het zichzelf als dier ontkent. Om in de termen van Friedrich Nietzsche te spreken, we hebben weer een achterwereld gecreëerd. Persoonlijk verbaas ik mij er wel eens over dat Friedrich Nietzsche in het tijdsgewricht van het ontstaan van de evolutietheorie leefde en daar zo vruchtbaar gebruik van heeft kunnen maken. Ik zie wel bepaalde overeenkomsten met mijzelf en Friedrich Nietzsche. Friedrich Nietzsche was veel alleen. Eenzaam wordt wel eens geschreven, maar Nietzsche was nooit eenzaam, hij had genoeg aan zichzelf. De mens was niet uit te houden, de mens was hem al te menselijk. Zijn wil tot macht was wil tot vrijheid. Nihilisme heeft bij de meeste mensen een negatieve connotatie, de wil tot macht moet een doel hebben. Friedrich Nietzsche echter vatte het nihilisme in positieve zin op, we zijn vrij om onze eigen wereld te scheppen en tegelijkertijd ontdoet hij ons ook van de zware last van verantwoordelijkheid, hij relativeert deze verantwoordelijkheid omdat hij zich bewust is hoe zwaar het christelijk dogma van schuld op ons rust. Het belemmert ons in ons doen en laten. De schuld, deze zware verantwoordelijkheid zie je ook terug in het Marxisme, de mens heeft een doel, de mens is een teleologisch wezen, wat het niet is. Tegelijkertijd, als het onze natuur is om achterwerelden te scheppen, dan is het onze natuur die dat doet, eenzelfde natuurlijke energie die in alle andere organismen ook werkzaam is. Welke opportunist1) is hier aan het werk? Wat is dit dier dat zichzelf belast met zware lasten, zijn eigen vrijheid ontneemt, dit terwijl dit dier eigenlijk vrij wil zijn? Friedrich Nietzsche definieert zijn wilt tot macht ook als wil tot vrijheid, het paradox schuilt hierin dat de wil tot macht ook strijd om zijn voortbestaan.

Moet de mens alleen zijn om vrij te zijn? Is de enige uitweg om vrij te zijn, zijn wil tot macht aan te wenden om niet meer onder de mensen te willen zijn? Verteld los van de ideeën van Friedrich Nietzsche zijn levensloop niet iets over deze vragen? Wil tot macht, een wil dat strijd om het bestaan van de betekenis. De vrijheid dat het nihilisme creëert, is de vrijheid om zelf betekenis aan het leven te kunnen geven, om zelf zin aan het leven te kunnen geven. Wil een dergelijk dier in een strijd verwikkeld zijn over het bestaan van de betekenis, wat waarheid is, wat de enige ware moraal is? Heeft Friedrich Nietzsche geen gelijk als hij de onwaarheid omarmt in het belang van de vrijheid? Want als waarheid en moraal niet meer betekent dan dat kuddedieren strijden om het bestaan van de betekenis, om hoogste in de sociale rangorde te worden, wat heeft een vrij mens dan in de kudde te zoeken? Wat de kudde bijeenhoudt is goed, wat de kudde ontbindt is slecht. De mens denkt altijd een beetje te goed over zichzelf, Friedrich Nietzsche zag dit maar al te goed in. Voor dit dier met zijn hoogstaande moraal is geen middel teveel om hoogste in de sociale orde te willen worden. Manipulatie, achterklap, veinzen, liegen, samenspannen, leed toedienen, alles wat hij de ander verbiedt is rechtvaardig in het belang voor zijn doelen; het eigen gecreëerde teleologische wezen. Wat heeft een vrij mens in deze kudde te zoeken? Wat moet dit dier  tussen die andere dieren die hun wil tot macht aanwenden als middel van macht tegenover de ander? Wil een vrij mens niet in de eerste plaats zijn aandacht vestigen op de tekens, de betekenis, zelf? Wil hij de armzalige strijd van de plebejer niet als eerste ontlopen om zijn macht uit te oefenen op de tekens, de betekenis zelf? Heeft deze vrije mens geen schone ijle lucht nodig om zijn vrijheid in te ademen, in plaats van de verstikkende moerasdampen van het kuddedier? Heeft dit vrije dier geen behoefte aan serene stilte ver weg van de strijd? De aangename stilte, ruimte waarin dit dier zijn tekens tot betekenis kan brengen? Ligt het niet in het concept van de übermensch van Friedrich Nietzsche besloten dat hij déze mens moe is? Deze mens hem al te menselijk is? Moet je als eerste om mens te worden, geen mens meer willen zijn? Wil tot macht, een macht dat geen mens meer wil zijn? De mens moet onder willen gaan, dat is inderdaad wat Friedrich Nietzsche ons te vertellen heeft.

Friedrich Nietzsche had een goed oog voor decadentie. De mens heeft een neiging tot decadentie. De hele filosofie van en na Socrates is een decadente filosofie. Socrates belichaamde een filosofie van decadent ressentiment waarin de ander niet sterker, maar zwakker gemaakt wordt. Het Socratisch gesprek dat eindigde in een gedesillusioneerde ander die het niet meer weet. Een wil tot macht om de ander zwakker te maken. Gebrek aan weerstand maakt het lichaam zwakker, in de strijd om het bestaan van de betekenis moet de ander zwakker gemaakt worden dan het eigen lichaam zelf. Ressentiment, neiging tot decadentie. Dit idee blijkt te kloppen met wat we waarnemen. Op het moment dat mensen zich in de ruimte begeven en verstoken zijn van zwaartekracht, blijkt de aanmaak van botweefsel te stagneren. Wil tot macht, anders uitgedrukt, wil tot vrijheid, hoe moet een dier dat neigt naar decadentie, streven naar vrijheid? Niet dus! Dat zie je ook in deze tijd, mensen streven helemaal niet naar vrijheid, mensen streven naar zekerheid. Friedrich Nietzsche had niet veel op met democratie, maar evenmin met nationalisme en socialisme, dat wil zeggen het marxisme, was natuurlijk het ressentiment van het zwakke bij uitstek. Wat mij opvalt is dat veel denkers vergeten door de ogen van Nietzsche te kijken als kind van zijn tijd. De opgang van het nationalisme, de opgang van de wetenschap, de newtoniaanse wetenschap, de opgang van de industriële revolutie, de totstandkoming van de evolutietheorie, de doorwerking van de Verlichtingsidealen op zijn tijd. De opgang van het nationalisme was voor hem een veelkoppig monster die elkaar de kop probeerde af te rukken, hoe hou je dit in het gareel? Anderzijds de democratie is de macht van het gepeupel, de overtollige, de plebejer, het ressentiment, de haat jegens het individu, hoe moet uit dergelijke decadente wil tot macht een wil tot vrijheid ontstaan? Ik denk niet dat Nietzsche zelf echt oplossingen had voor deze problematiek, anders dan de Griekse stadstaat. Maar in welke internationale wereld zou deze stadstaat dan moeten gedijen? De ondertitel van Also sprach Zarathoestra is misschien veel zeggend, een boek voor iedereen en niemand. De enige oplossing die ik heb om als mens te leven is het advies van Epicurus, leef in het verborgene, streef geen publieke functies na, blijf ver weg van het kuddedier, maatschappelijk of samenleving, voor wie de woorden nog minder betekenis heeft dan het gebrul van een aap. Je moet de mens eerst moe worden om mens te zijn, ver weg van de strijd om het bestaan van de betekenis; Menschlich allzu menschlich. Het is jammer dat Friedrich Nietzsche veel over het kuddediergesproken heeft, maar geen term heeft gelanceerd over de taal die we spreken; kuddetaal. Wat denken over evolutie betreft denk ik inderdaad dat Nietzsche zijn tijd honderden jaren vooruit is gebleken. 

‘Moet je hun oren eerst stukslaan voordat ze met hun ogen leren luisteren?’ (Also sprach Zarathoestra). Vaak wordt Friedrich Nietzsche de laatste metafysicus genoemd. Martin Heidegger gaf zelfs colleges over de metafysica van Friedrich Nietzsche. Friedrich Nietzsche zag heel goed de logica achter het dualisme, het verdubbelen van de wereld. Hij wees daarom metafysica als een achterwereld af, een menselijk verzinsel, een verzonnen logisch punt in de ruimte, buiten de natuurlijke orde waarin het de wereld ordelijk en logisch kan overzien. Wil je in het perspectief van Friedrich Nietzsche gaan staan, dan moet je dus eerst afzien van metafysica. Dat is bepaald niet onbelangrijk, hij heeft het zover ik weet zelf nooit geschreven, maar zijn manier van denken leidt tot een monistische taal. Martin Heidegger behoort tot de meest invloedrijke en originele denkers van de twintigste eeuw, ik weet oprecht niet wat ik hier van moet denken.  Wat is die wil tot macht in relatie tot het dualisme? Een wil tot macht dat zichzelf buiten de natuurlijke orde wil plaatsen. De mens doet precies datgene wat de rest van de natuur al een 3.500.000.000 jaar doet maar denkt dat het boven, onder voor of achter de natuur staat. Maar de wil tot macht wil natuurlijk het liefst boven de natuur staan. Wat is dit dier dat de wereld in de taal over twee tegenpolen verdeeld, waarvan Friedrich Nietzsche terecht heeft opgemerkt dat ieder individu in verschillende posities staan? Een wil tot macht om boven de natuur te staan, een wil tot macht om de natuur te beheersen en te bewerken naar eigen behoefte. Een wil tot macht dat vrijheid ontleent aan de natuur tot eigendom te maken. Tot eigendom maken is de natuur naar de andere tegenpool van de taal verwijzen, iets wat ons eerst toegeëigend moet worden. Voortdurend treden we binnen de taal buiten de natuurlijke orde. Friedrich Nietzsche poneert de stelling dat niets uit haar tegendelen kan ontstaan, het is taal en betekenis die deze tegenstellingen doen ontstaan. Evolutie van taal en betekenis is echter de natuur zelf, daar ligt dezelfde opportunistische levenskracht aan ten grondslag, de wil tot bestaan, de strijd om het bestaan, dan de evolutie van alle andere levensvormen. Een levensenergie dat gericht is op Zelf behoud, eigenbelang, is een wil tot macht dat niet gericht is op wil tot vrijheid, al helemaal niet op de vrijheid van een ander. Persoonlijk denk ik dat Friedrich Nietzsche het als zijn taak zag deze energie vrij te maken omwille van de wil tot vrijheid. Daarvoor moest hij zich eerst identificeren wat hij was, een dier, natuur zelf, een dier dat eerst zijn eigen dualisme moest zien te overwinnen. In zekere zin volgde Spinoza dezelfde weg. Friedrich Nietzsche stelt ook dat we niet allemaal gelijk zijn, we zijn allemaal ongelijk. Deze uitspraak wordt voortdurend verkeerd begrepen en altijd tegen de verkeerde achtergrond van wil tot macht geïnterpreteerd. De wil tot macht moet zich eerst vrijmaken. We zijn geen soort mens, we zijn allemaal unieke wezen behept met een taal dat voortdurend nieuwe levensvormen genereert, nieuwe organismen. Ieder taaldier is een uniek wezen, een microkosmos op zich dat natuur zelf is.

We zijn kuddedieren, we spreken een kuddetaal. Waar het identiteit betreft heeft Friedrich Nietzsche een interessante traktaat geschreven, namelijk die van ‘Over nut en nadeel van geschiedenis voor het leven’. De mens is het enige dier dat zichzelf opvat als historisch wezen waaraan het identiteit ontleent. Nationalisten houden ons voor dat we Nederlanders zijn en trots moeten zijn op onze geschiedenis. Voor linkse mensen is geschiedenis een oefening in boetedoening, een oefening in schuld, oefening in het slecht zijn, onze voorvaderen zijn zo slecht geweest dat wij er nu collectieve verantwoordelijkheid voor dragen. In de constitutie van de mens als historisch wezen is er sprake van dat wil tot macht dat zichzelf niet vrij maakt maar juist onvrij. Deze wil tot macht reduceert zichzelf tot cultuurdrager in plaats zichzelf te ervaren als scheppende cultuurmaker. Een wil tot macht dat zijn identiteit ontleent aan in plaats zijn eigen identiteit te scheppen. Vroeger begroeven we onze nageslacht om ons te troosten. Later bedacht dit dier ook schatplichtig is met betrekking tot de voorouders, maar welke egoïst zou ik zijn om het nageslacht met deze schuld en schatplichtigheid te overladen? Ik denk dat Friedrich Nietzsche goed heeft ingezien dat dit dier met zijn wil tot macht er eigenaardige trekjes op nahoudt met betrekking tot de moraal. Is het niet tekenend dat in het geleefde leven mensen een neiging hebben hun kinderen schatplichtig te maken aan henzelf, de eigen kinderen schuld toe te bedelen, dat de eigen kinderen hen iets verschuldigd zijn? Is het niet als eerste van belang in de opvoeding van kinderen tot vrije mensen dat ze ontdaan zijn van ouderlijke schuld? Wil tot macht dat strijd om het bestaan moet zichzelf eerst vrijmaken wil deze macht gericht zijn op wil tot vrijheid. Zolang we niet oog in oog staan met het dier mens zullen we altijd blijven doen wat dieren doen, wil tot macht inzetten tot zelfbehoud, strijden om het bestaan. Geschiedenis zou in de eerste plaats moeten gaan over nut, waarbij het zichzelf vrij maakt van persoonlijke schatplichtigheid en schuld. De meest geestdodende eigenschap van dit dier is om tradities instant te houden omwille van de identiteit. creativiteit, het vrijmaken van de scheppende krachten ontstaat in de scheppende identiteit. Een identiteit dat zijn eigen identiteit schept. Deze mens worstelt met haar eigen achterwereld historisch wezen, de eigen gecreëerde waan van het historisch wezen. Dat ik nut afweeg aan de geschiedenis, dat ik waarde afleidt uit de geschiedenis, dat ik van oordeel ben dat er in het hier en nu zaken vereffent moeten worden door de loop van de geschiedenis heeft niets te maken met schuld of schatplichtigheid met betrekking tot geschiedenis. Het heeft te maken hoe ik hier en nu geschiedenis wil schrijven, wat ik in het hier en nu van de wereld wil maken, facimus. Net zomin dat ik het nageslacht wil overladen met mijn schuld, voel ik mij evenmin schuldig of schatplichtig aan een geschiedenis. Ik ben historisch wezen voor zover het nut in mijn leven heeft.

Interpretaties, perspectieven, subjectiviteit zijn kerngedachte van Friedrich Nietzsche. Kerngedachten die elke keer weer opnieuw verkeerd begrepen worden door het ontbreken van herkenning. In mijn persoonlijke leven valt mij het gebrek van het dier mens op zich niet in de ander te kunnen herkennen. Een eigenschap dat ontstaat uit het dualisme, dualistisch vertoog,  waarin de ander naar de absolute tegenpool wordt verwezen. Hoe kun je nihilisme in zijn positiviteit beoordelen? Waarheid bestaat niet, en zelfs deze waarheid is nog onwaar, een absoluut nihilisme. Achter de horizon van de subjectiviteit zullen we geen objectieve wereld vinden. Er is geen andere wereld dan deze wereld zelf, monisme, een wereld dat ons verplicht waarde aan deze wereld te geven. Waarde is de waarheid zelve. Waarde dat ons niets in het vooruitzicht stelt, waarde dat evenmin een vaststelling op grond een Zijn als historisch wezen. De waarde wordt hier en nu bepaald. Om tot de voorstelling van Friedrich Nietzsche door te dringen dien je eerst af te zien van de achterwerelden die door het dualisme wordt gecreëerd. Voor Friedrich Nietzsche is geest een vooroordeel, de taal de dit dier spreekt is lichaam zelf. Vaak wordt beweerd dat Friedrich Nietzsche een voorkeur had voor het lichaam. Maar eigenlijk kan hij deze voorkeur niet hebben want zijn monisme leidt tot geest = lichaam. Zelfs bij de gehardste reductionistische wetenschap van vandaag lijkt taal, denk en spreken zich los te maken van lichamelijkheid. Ik denk dat Friedrich Nietzsche hard op weg was zichzelf van deze dualiteit los te maken. Dan ben je dus ook hard op weg om elk taal individu op te vatten als een eigen soort. Soort mens, een algemeen begrip, dat niet bestaat omdat ieder mens uniek is. In radicale vorm zou je het zo lichamelijk mogelijk voor kunnen stellen, dat om in het perspectief van Nietzsche te kunnen komen, zijn voorstelling kunnen aanschouwen, dat je in zijn levensvorm moet kunnen staan, het organisme Friedrich Nietzsche dat zijn eigen soort is. Voor het dier dat allemaal gelijk wil zijn, een objectieve wereld achter de subjectieve wereld zoeken, voor wie geest of denken nog losstaat van het lichaam, is dit natuurlijk een hele radicale opvatting. Ik denk dat de denkrichting van Friedrich Nietzsche zich naar dit monisme toe aan het denken was. Mijn inziens zou je dan niet alleen de waarden moeten keren, maar ook de hele taal en betekenis moeten omkeren, we zijn ingebed in een dualistische taal, monisme verondersteld een geheel ander taal en betekenissysteem (in zoverre je over systeem kan spreken). De wetenschappers van de gelijkheid zijn momenteel zo ver om te veronderstellen dat de mensheid zich niet onderscheidt in rassen. De logica erachter is die van een verbluffende stupiditeit. Laten we het erop houden dat wil je de wetenschapper van de gelijkheid begrijpen je eerst de ogen moet sluiten en de empirie volledig moet negeren, dan kom je inderdaad in de ideale ideeënwereld van Plato terecht. Voortbordurend op Friedrich Nietzsche kom je uit op de verstaanbaarheid van taal en betekenis? Wat bedoeld Friedrich Nietzsche nu eigenlijk te zeggen als hij de lezer vraagt om hem als een koe te lezen? Als ieder dier mens uniek is, een eigen perspectief op het bestaan heeft van daaruit de wereld interpreteert, met andere woorden dat ieder uniek taaldier een eigen verstaan met de wereld heeft, dan moet het ergens zo zijn dat Friedrich Nietzsche maar al te goed beseft hebben dat het zeer slecht gesteld is met de verstaanbaarheid van taal. Wat moet een rustige lezer nu precies doen dat de teksten van Friedrich Nietzsche kauwt en herkauwt? Waarom schreef hij zo graag in aforismen? In zijn werk ‘Genealogie van de moraal’ geeft hij een voorbeeld van uitleggingskunst van een aforisme. Denken is doen, in mijn eigen bewoordingen denk ik dat het hem erom te doen is om onze eigen taalkosmos in werking te stellen, te activeren waarin naast het begrijpen van Friedrich Nietzsche je eigen interpretaties ontwikkeld. Hij wil de schouders zijn waar andere op kunnen gaan staan. Zoals hij het christendom als een machtige vijand zag dat hem sterker maakte, wil hij ook de machtige vijand voor de ander zijn om deze sterker te maken. Hij daagt de ander uit met een eerbied voor de vijand.

Bovenstaand heb ik veel over Friedrich Nietzsche geschreven, maar in de tekst heb ik ook veel mijn eigen uitleggingen gedaan, eigen interpretaties gegeven. Ideeën zijn verder uitgewerkt met de kennis van nu. De ideeën van Nietzsche zijn ideeën geïnspireerd op worden, op ontstaan en vergaan, Friedrich Nietzsche wil ondergaan, het lot van elk winnen verdient zijn lot om uiteindelijk ook weer te verliezen. Is het dier mens geen slecht verliezer? Mensen die hun leven niets anders gedaan hebben dan tot het begrip van Friedrich Nietzsche te komen, bij Friedrich Nietzsche stil te staan, hebben verzaakt de wereld van Friedrich Nietzsche op te vatten als een wordingsproces van ontstaan en vergaan. Amor fati. Wie bij Friedrich Nietzsche stil blijft staan heeft het lot in zijn handen gelegd en daarmee zijn levensfilosofie niet tot leven, tot betekenis gebracht. In zijn werk ‘De Antichrist’ spreekt Friedrich Nietzsche zijn bewondering van Jezus uit. Niet over wat hij gezegd heeft, maar hoe Jezus zijn leven geleefd heeft. Doen, maken, facimus, Wij maken, wij doen. Dit is de kerngedachte waaruit al mijn gedachten ontspringen, de bron van mijn denken. Friedrich Nietzsche moet zeer introvert geweest zijn, een man introspectie, zelf onderzoek, een mol dat diepe gangen graaft in zijn eigen psyche. Gericht op zijn binnenwereld, een binnenwereld waarin de grenzen van binnen en buiten moeilijk te trekken zijn. Hij verstond de kunst om naar binnen te kijken. Hij verstond de kunst om volstrekt compromisloos te zijn met betrekking tot zijn eigen gevoelsleven wat denk ik nodig is om bij het dier mens uit te komen. Wil tot macht uitgedrukt in wil tot vrijheid lag bij Friedrich Nietzsche in de buitenwereld. Een wil tot macht dat op de buitenwereld is gericht, extraversie, ontleent ook de vrijheid dat buiten hemzelf besloten ligt. De mogelijkheidsvoorwaarden buiten hemzelf bepalen of deze vrijheid ervaart. Dergelijke dieren hebben voortdurend prikkels van buiten nodig om zich gelukkig te voelen. Zo zag ik tijdens de economische crisis een volwassen man zitten huilen omdat hij door de crisis geen vijf keer maar nog maar twee keer op vakantie kon. Dan heb je denk ik wel het toppunt van decadentie bereikt. Dat wat zich tevreden, gelukkig of vrij maakt is volledig afhankelijk van de prikkels van buiten. Slaaf van de buiten wereld, slavenmoraal, ressentiment, reactief in plaats van actief, een dier dat mogelijkheid en vrijheid niet in zichzelf kan ervaren, deze levensbron ook niet meer kan aanboren. De wereld van nu is het gelijk van Friedrich Nietzsche waarin vrijheid ingeruild wordt door zekerheid, de macht van het verteerde ressentiment van het gepeupel dat de mens verzwakt, in een val van decadentie brengt, totdat de mens niet meer is dan een automaat dat alleen nog bevrediging kan vinden van prikkels van buitenaf. Wil tot macht vormen tot wil tot vrijheid is het omkeren van de richting, actief in plaats van reactief, introversie in plaats van extraversie, naar binnen kijken in plaats van op de buitenwereld gericht zijn. Ik denk dat de psycholoog Friedrich Nietzsche voor zijn tijd met zijn wil tot macht ver vooruit was. Als evolutiefilosoof heb ik heb hem ook zeer hoog staan, een verstaan met wil tot macht verbindt het psychologisch dier wel degelijk adequaat met de evolutietheorie. Friedrich Nietzsche was alleen een kind van zijn tijd, met de kennis van zijn tijd. In het wordingsproces moeten we niet stil gaan staan maar verder gaan, blijf niet bij Friedrich Nietzsche staan maar ga op zijn schouders staan.

De wil tot macht wil dat de we de wereld hebben verdeeld tussen denkers en doeners. Charly Chaplin heeft met zijn modern ‘times laten’ zien wat er met de doeners is gebeurd, een uurtje debat kijken in de tweede kamer laat zien wat er met de denkers is gebeurd, grenzeloze stupiditeit, veinzen, manipulatie, een stelletje apen in de strijd om het bestaan van de betekenis. Friedrich Nietzsche is ook uitermate verkwikkend met betrekking tot de mentale verstandhouding tot de wereld. Friedrich Nietzsche zocht grote vijanden, vijanden die zijn vijand mogen wezen. Wat mij  niet doodt maakt mij sterker. Controversieel zijn de uitspraken van Friedrich Nietzsche over de Jood. Maar Friedrich Nietzsche was allesbehalve dan een antisemiet, hij waardeerde de Jood als een waarde scheppend volk en verachtte Wagner om zijn antisemitisme. De jood was voor hem een waardige vijand waarvoor hij eerbied had. Een vijand dat zijn vijand MAG zijn. Het reactieve ressentiment reageert op alles wat in de buitenwereld het dier niet aanstaat, maar het is juist de kunst dat wat je ten diepste minacht daadwerkelijk te verachten. Zo klein maken dat het het nog te minderwaardig is om nog voor vijand door te kunnen gaan. Een dergelijk vermogen schept een wil tot macht dat zich vormt tot wil tot vrijheid. Vrijheid van een binnenwereld waarin het keuzes kan maken hoe te reageren op de prikkels van de buitenwereld. De reacties op het racisme van vandaag is die van boosheid, rancune, ressentiment. Racisme is echter laag, een moraal waar je alleen minachting voor kunt voelen, wat verachting teweeg brengt, iets wat zo minderwaardig is dat  het je eigenlijk niet eens meer zou mogen beroeren. Dat betekent geen negeren van een problematiek, maar in de eerste plaats het juist beoordelen van de problematiek, een racist is iemand dat zo minderwaardig is dat het niet eens meer een vijand voor je kan zijn. Iemand die je alleen maar kunt minachten en verachten. Een psychologisch dier dat gericht is op de prikkels van de buitenwereld heeft geen contact met de binnenwereld. Het mist ook het vermogen tot herkenning, de ander is absolute ander, dat is niet alleen tussen de mensen onderling zo maar ook met de dingen, met het werk, met het doen, met het maken. Ik denk dat Friedrich Nietzsche en Karl Marx op één punt wel snel overeenstemming zouden kunnen vinden; werken, maken, doen, facimus. Een wil tot macht dat zichzelf vrijmaakt, creativiteit en scheppende krachten ervaart in het werken, maken en doen, facimus. Veel kunstenaars vinden inderdaad veel inspiratie bij Friedrich Nietzsche. Waar is er nog aandacht voor werk, opgaan in je werk, contact hebben met wat je maakt, voelen van materiaal wat evengoed mensen kunnen zijn waarmee je werkt? Doen we werk in de eerste plaats voor ons zelf, zelfverwezenlijking, voor jezelf om in de aandacht bij de ander te komen, of voor geld, bestaanszekerheid? Ervaren we nog macht, scheppingsdaad over de dingen en leefomgeving of zijn we slaaf van de eigen leefomgeving? Dit zijn zaken waar Friedrich Nietzsche zelf of weinig over geschreven heeft maar goed passen in zijn manier van denken. Mijn inziens een hiaat in zijn denken, want wat maakt een doorsnee mens tot een doorsnee mens? Wat is dat die doorsnee mens die zijn pretje voor de dag heeft en zijn pretje voor de nacht, de doorsnee mens dat zijn pretje heeft in de jaarlijkse wederkeer van dode tradities, van identiteit gericht op de kudde,  identiteit als historisch wezen wat hij niet is? In ‘Voorbij goed en kwaad’ schrijft hij dat wil tot macht primair kracht botvieren is en wijst drift tot zelfbehoud af, strijd om het bestaan, en ziet dat als indirect meest frequent gevolg. Elders wijst hij de evolutietheorie als aanpassingsproces van Alfred Russel Wallace af (Wallace construeerde de evolutietheorie in dezelfde periode als Darwin). Friedrich Nietzsche ging uit van een actieve kracht, wil tot macht. Ik denk dat Friedrich Nietzsche hier een cruciale denkfout heeft gemaakt en tegelijkertijd ook enigszins gelijk had. De evolutietheorie van aanpassing klopt wel degelijk, echter er gaat inderdaad ook een actieve kracht vanuit (ik denk overigens dat Friedrich Nietzsche het mechanische determinisme van Newton afgewezen zou hebben met de kennis van nu, deze actieve kracht kan namelijk nooit door passief levenloze Newtoniaans mechanisme tot stand komen, het adaptationisme in de evolutiewetenschap van vandaag is ook tenenkrommend). De doorsnee mens is meer gericht op zelfbehoud, bestaanszekerheid. Dat maakt een doorsnee mens tot een doorsnee mens. Wil tot macht is nog geen wil tot vrijheid, wil tot macht moet zich eerst richten op de vrijheid. Friedrich Nietzsche heeft in die zin een vooruitziende blik gehad, geef het gepeupel, de plebejer, het klootjesvolk de macht en ze leven nog liever in een staatsgevangenis met bestaanszekerheid dan in onzekerheid en vrijheid.

De mens als individu is wat hij wil zijn, maar wat hij wilt zijn is niet wat hij is, want dan moet je er eerst achter komen wat die wil wil en achter die wil liggen instincten, aandriften waarvan we ons meestal niet bewust zijn. De doorsnee mens is niet wat hij voor zichzelf wil zijn maar waar waarvan hij wil dat de ander hem zo ziet. Er is niets zo vermakelijk om te zien hoe mensen Friedrich Nietzsche citeren als het gaat om de kuddedier. In de meeste gevallen wordt deze term op de ander geprojecteerd vanuit de overtuiging dat hij het zelf niet is. Wat hij denkt dat hij zelf niet is, wil hij zijn voor de ander en projecteert dus op de ander iets wat hij niet is. Ons instinct, onze aandrijvingen wil dat wij kuddedieren zijn, ook Zarathoestra ging jaren ging jaren eenzaam de bergen in, maar kwam altijd weer terug onder de mens omdat zijn instincten hem nu eenmaal opdroegen dat zijn leven iets voor de mens te betekenen moest hebben. Als persoon ben ik denk ik redelijk deviant, in de zin van solitair, maar ook deze tekst schrijf ik natuurlijk in de hoop dat anderen dit zullen gaan lezen, dat dit anderen zal gaan inspireren.  Kuddedier is wat we zijn! Dat is ook maar goed ook, zonder groepsgedrag zou er zich nooit een taal hebben kunnen ontwikkeld. Zonder kennis over die wil is wil onvrijheid. Want bovenstaand laat zien dat we iets op de ander projecteren van wat we willen zijn, wat we niet zijn. Kun je willen wat je wilt? Met betrekking tot bewustzijn is het niet moeilijk in te zien dat je in een ad infinitum argument terechtkomt (Zie wil bij Arthur Schopenhauer). De sleutel van de wil tot macht van Friedrich Nietzsche tot wil tot vrijheid ligt in een verkeerde perceptie over vrije wil en vrijheid. Wat in de definitie van een vrije wilsuiting nooit is meegenomen is dat bij elke wilsuiting ik de consequenties van die wilsuiting wil kunnen overzien. Sartres perspectief van vrijheid als Zelf ontwerp is juist. Als ik mijn handelen kan overzien en zo kan handelen dat ik mijn toekomst kan ontwerpen uit de mogelijkheden die de wereld biedt, dan lig ik morgen op het witte strand van de Bahama’s, met een cocktail in de hand en aan weerszijde drie bloedmooie dames aan mijn zijde, naar mijn naveltje te staren. Ook ik heb een neiging tot decadentie.  Waarom is natuurwetenschap succesvol? Omdat het steeds nauwkeuriger het gedrag van materie kan voorspellen. De levende wetenschap is bepaald niet succesvol omdat juist dit element ontbreekt. Evolutiebiologen hebben een fobie voor teleologie, dat heb ik ook, maar evenals met vulgair idealisme dien je ook vanuit rationele grondslagen niet je ogen te sluiten. Langs alle omwegen evolueert het leven naar organismen die steeds beter weten te anticiperen op de toekomst. Worden minder opportunistisch. Interessant is dat te gelijkertijd ook sprake is van een afname van productie van nageslacht. Natuurlijk gaat het er bij de ‘supersticious pigeon’ (operante conditionering) er mijn zijn rituelen en tradities er stuntelig aan toe, maar wie durft te beweren dat wij mensen niet op dezelfde wijze op te toekomst anticiperen als de supersticious pigeon? Een vraag die nooit is gesteld is wat heb je als je tien supersticious pigeons hebt met elk hun eigen rituelen en tradities? De mens? De mens heeft iets om dit divergentie proces nog te versnellen; taal! Los van dit versnellen gebeurd er nog iets anders. Alle evolutiebiologen zijn het er over eens dat geslachtelijke voortplanting met betrekking tot celdeling variatie bevordert. Alleen niemand lijkt zich te realiseren dat dit ook een grotere mate van diversiteit binnen de soort oplevert! In meerdere werken van Friedrich Nietzsche scheert hij rakelings langs een monistische visie. Maar vooral in het werk ‘voorbij goed en kwaad’. Hier vat hij taal op als fysiologisch, maar komt hij nog niet los van de geest die hij elders als een vooroordeel opvat. Geest is taal is lichaam is natuur. Taal dient op gelijke wijze behandeld te worden als het lichamelijke, net zoals boven het imaginaire op gelijke wijze bestaat als de empirie zelf. Alle achterwerelden, elke verdubbeling van de wereld dat het dualisme teweegbrengt dient te worden geëlimineerd om het dualisme te overwinnen en een monistische zienswijze tot stand te brengen (wetenschappers van de geest van vandaag zullen het vaak met mij eens zijn, biologische psychiatrie bijvoorbeeld, echter het probleem is die van taal. Bij de evolutie van taal vindt betekenisoverdracht plaats. Betekenis van ziel wordt overgedragen op geest, wordt weer overgedragen op denken, waardoor de dualiteit in stand blijft)

Daar waar de taal individuen snel divergeren, uniek worden, hun eigen soort worden (om maar aan te geven dat dit het einde is van het soortbegrip in de evolutietheorie), is er het tegenovergestelde effect van de kuddedier om de kudde bijeen te houden. Wat de kudde bijeenhoudt is goed, wat de kudde ontbindt is slecht. Idealisme is ook een achterwereld, een verdubbeling van de wereld, een verzinsel, een ideaalbeeld van hoe de mens zou moeten zijn, terecht dat Friedrich Nietzsche opmerkt een mens dat moet ondergaan. In het proces van ontstaan en vergaan, zal ook het begrip mens vergaan. Het begrip wat wij er van hebben. Wat verstaan wij onder het begrip mens, wat verstaat de toekomstige mens onder het begrip mens? Het begrip mens zal ondergaan. De betekenis mens dat wij eraan ontlenen is ontstaan maar zal ook weer vergaan. Taal vereenvoudigd de wereld, taal ordent de wereld, taal creëert een schijnwereld. Het is de verdienste van Friedrich Nietzsche de ware wereld op te heffen en daarmee ook de schijnwereld, waarmee alleen wereld nog overblijft. ‘Moet ik eerst hun oren stukslaan willen ze leren om met hun ogen te luisteren?’ (also sprach Zarathoestra). We kijken met de taal naar de wereld, in de wetenschapsfilosofie noemen we het dat onze ogen theorie geladen zijn. Terecht merkt Friedrich Nietzsche op dat er met onze ogen niets aan de hand is, het gedonder begint pas als de taal op onze ogen betrokken wordt. De algemene begrippen zijn de ogen waarmee we naar de wereld kijken, een vereenvoudigde wereld dat een complexe wereld is, een wereld van chaos. De verdienste van Friedrich Nietzsche is dat er zelfs geen wereld zich achter de taal bevindt, het is zijn verdienste dat we ons laten misleiden door de grammatica van de taal, in het achter wordt weer een achterwereld gecreëerd. De weg die Friedrich Nietzsche bewandeld heeft kan eigenlijk maar tot één doel leiden, namelijk een monistische taal. Ik kan in de werken van Friedrich Nietzsche opmaken in hoeverre hij zich daarvan bewust was. Enerzijds was hij bewust van het feit dat geest een vooroordeel is, maar anderzijds laat hij geen moment onbenut om te spreken over zijn einddoel van de vrije geest. Friedrich Nietzsche was een kind van zijn tijd, van de kennis van de evolutietheorie van zijn tijd, de wetenschap van de natuurkunde van zijn tijd (Newtoniaans mechanistische wereldbeeld), toch heeft opmerkelijke goede conclusies weten te trekken, maar ook minder goede. Friedrich Nietzsche lezen is de kennis van vandaag toepassen op de kennis van vandaag. De filosoof van de oorlog is niet bestemd voor de oren van de mens van de lieve vrede en eenheid. Friedrich Nietzsche is niet je vriend maar je allerergste vijand, wie Friedrich Nietzsche als vriend leest, leest hem verkeerd. Je moet de strijd met hem aangaan, zoals hij zelf stelt het dier in jezelf overwinnen door het lijden niet te willen vermijden maar door het lijden heen te gaan, want in dat proces komen de nieuwe inzichten tot stand. Bekijk het als de moderne oorlogsvoering waarin technologie en kennis van de vijand wordt onfutseld om deze vervolgens voor het eigen nut in te zetten. Friedrich Nietzsche is iemand dat overwonnen moet worden. ‘Who wants to live forever?’ Die mensen met een misplaatst machtsgevoel.

Friedrich Nietzsche is de boog die het snorren nog niet verleerd heeft, er is nog chaos in hem waarin hij de wereld voorhoudt dat de laatste mens geen chaos meer in zich heeft. Wil tot macht, wil het niet verzwakken heeft chaos nodig. Welk taalperspectief heeft Friedrich Nietzsche op het oog? Wat is een taal dat geen chaos meer in zich herbergt? Een dode taal, een taal dat zijn eigen decadentie heeft voltooid, een taal dat zijn eigen evolutie heeft vermoord. Inderdaad, het Hegelianisme  kon eigenlijk alleen maar leiden tot het meest dodelijke idealisme, het Marxisme, voor zover het nazisme ook een loot is van het Marxisme. De absolute geest,  een streven naar absoluut dualisme, een radicale ontkenning van de mens als natuur! Een wijze van spreken waarin de ander tot absoluut ander is geworden waarbij het gevoel volger is van de taal, met andere woorden, een volledig ontbreken van gevoel voor de ander. Friedrich Nietzsche had een bijzondere goede inkijk in zichzelf, hij had dit instinct en gevoel volgend op de taal goed ingezien. Hij schrijft ook in iets andere woorden dat als eenmaal het perspectief op de wereld als taalconstructie is veranderd, dan duurt het nog heel lang voordat instinct en gevoel mee veranderd op dit perspectief. Het lichaam heeft tijd nodig zich dit perspectief eigen te maken. Is het geen bijzondere tegenstelling dat de idealist de natuur geen teleologie toedicht maar zichzelf wél projecteert als teleologisch wezen? Een wezen met een einddoel, een opdracht tot dat einddoel? Een einddoel van absolute apollinische orde waarin een decaderende taal zichzelf vernietigd door de evolutie van taal tot stilstand te brengen? Het is belangrijk te beseffen dat er zich binnen de taal geen revoluties voordoen. Het woord revolutie heeft een verkeerde verstandhouding met het onbepaalde. In termen van Darwin toeval. Onbepaald zijn is afhankelijk van twee zaken, namelijk wereld en niets, het draagt altijd een determinerende factor van de materiële wereld in zich, tegelijkertijd komt er ook iets uit niets. Daardoor lijkt het alsof we het geschieden kunnen terug redeneren in oorzaak en gevolg, maar elke gevolg had ook anders kunnen zijn. Levende en levenloze wetenschap is niet de dezelfde wetenschap, omdat de levende wetenschap in een ander mechanistisch wereldbeeld zou moeten denken, in mogelijkheidsvoorwaarden. Een dergelijke conclusie kon Friedrich Nietzsche in het Newtoniaans mechanistisch wereldbeeld niet trekken. Daarom trok hij ook de verkeerde conclusie over causa sui. Iets kan wel degelijk oorzaak van zichzelf zijn, maar nooit zonder de wereld zelf, elk causa sui komt uit de werking van deze wereld zelf, een determinante dat gevolg is van de werking van de natuur. Gevolg daarvan weer is dat je nooit een goede perceptie kunt ontwikkelen over de vrije geest, een geest dat een illusie van de taal is. Friedrich Nietzsche had bepaald geen goede perceptie van vrijheid. Toch is Friedrich Nietzsche de boog die het snorren niet verleerd heeft, veel inzichten zijn pijlen die naar het doel vrijheid geschoten worden. In die zin is Friedrich Nietzsche de boog en de lezer zowel schutter als pijl dat in strijd met zijn inzichten zich naar het doel van de vrijheid kan schieten.

Leef in het verborgene, een uitspraak die Friedrich Nietzsche meermaals gebruikt en ontleend heeft aan de Griekse filosoof Epicurus. Deze filosoof stelt het geluk centraal, maar een hedonist zou ik hem bepaald niet willen noemen. De meeste mensen van alle politieke kleuren ontlenen hun vrijheid aan het collectief waarin het instinct wil tot macht een macht is dat macht over de ander wil ten behoeve van de eigen vrijheid. Daar waar de socialist ideologische macht over de ander wil, wil de neoliberaal economische macht over de ander, maar beide willen ze uiteindelijk hetzelfde; eigenbelang, vrijheid ontlenen aan het collectief, het individu uitbuiten voor het belang van het collectief, maar let wel voor de leiders van het collectief, want die zullen zich altijd meer begunstigen. Voor beide staat de economie centraal. Een vrije samenleving is een samenleving waarin het gezag zichzelf de wet stelt dat het de individu van de eerste levensvoorwaarden voorziet zonder daar een tegenprestatie voor terug te verwachten in de zin dat het individu economisch uitgebuit kan worden of voor het wagentje van de idealen gespannen kan worden. Ieder individu heeft het recht om het collectief de rug toe te keren. Het individu mag nee zeggen tegen het collectief. Leef in het verborgene, onthoud je van het spel van het collectief. Om deze staat van Zijn te bereiken dien je eerst het eigen natuurlijke instinct te overstijgen; het instinct van wil tot macht is een natuurlijke wil dat geen zins gericht is op vrijheid, de snorrende boog zal zich eerst tot dat doel moeten richten. Onze instincten zijn gericht op onvrijheid, zoals Sartre terecht opmerkt; ‘de mens is wat hij van zichzelf maakt, de hel dat zijn de anderen’. Later zal ik mij richten op de definitie van vrijheid, maar eerst wil ik mij richten op een oorzaak van vrijheid. Een oorzaak dat geheel anders zal zijn als het perspectief van Friedrich Nietzsche. Als zoiets als vrijheid bestaat dan moet deze in de grond gezocht worden van de natuur zelf. Heuristisch is de evolutietheorie de vindplaats van onze vrijheid. Richard Dawkins heeft overtuigend laten zien dat evolutie gezocht moet worden in het individu in plaats van de soort als uitgangspunt te nemen. Dat perspectief is echter niet helemaal juist, de soort of collectief draagt wel degelijk bij aan de evolutie van de soort als zodanig, maar meestal in tegengestelde richting; die van zelfbehoud. Wie zijn vrijheid wil behouden dient zich af te wenden van de tegengestelde richting van het collectief. Dient de tirannie van het collectief te weerstaan dat gericht is op zekerheid, zelfbehoud en collectief egoïsme. Al het lijden dat uit deze confrontatie voortkomt dient voor lief genomen te worden. Dit individu dient de eigen natuurlijke instincten te overstijgen, het dier dat lijden wil vermijden. Elke vorm van vrijheid is tot op heden gebaseerd op een metafysisch concept, een concept dat buiten, boven, onder, links of rechts van de natuur gedefinieerd dient te worden, terwijl de bron in de natuur zelf gelegen zit. Terecht heeft kritiek Friedrich Nietzsche op de Stoïcijnen. We moeten als de natuur leven? Dan stelt u zichzelf een idee boven de natuur, een natuur van waaruit u bepaald wat natuur is. U bent al natuur, u leeft al natuur, het is alleen de illusie, de achterwereld, te menen dat we onnatuurlijke dingen kunnen doen! Wat we ook doen, of we nu kernbommen maken, of de wereld vernietigen, we kunnen nooit buiten de natuurlijke orde staan. Alles wat we doen is natuur.

Terug, de mens is het enige wezen dat in het nu denkt dat hij zich verhoudt tot verleden en toekomst. Maar uiteindelijk moet je eerst de taal onderzoeken om helderheid te krijgen waarom dit wezen meent dat het verantwoordelijkheid draagt voor verleden en toekomst? Hierbij gaat het mij niet om de vraag of we dat wel of niet zijn, dat oordeel dient eerst opgeschort te worden. We kennen allemaal het voorbeeld dat iemand de ander iets influistert, die vervolgens een ander hetzelfde influistert, waarna van verloop van tijd de boodschap van de eerste persoon geheel anders is geworden. Hier is de evolutie van taal aan het werk. Om taalinzicht te verwerven zou je eerst het schrift moeten wegdenken om vervolgens te observeren hoe de mondelinge overlevering functioneert. Als je het aandurft om taal in zijn lichamelijkheid op te vatten en de cultuuruitingen samen te laten vallen, identiek te laten zijn, met de taal, dus een zuiver monisme, dan zie je een divergentie proces dat de natuur zelf is hoe de eenheid van taal – cultuur een verscheidenheid aan nieuwe levensvormen tot stand brengt, zoals ook uit de vinken van Darwin op de Galapagoseilanden door aanpassing nieuwe soorten zijn ontstaan. Het is de taal die de wereld over twee polen verdeeld. Maar wat er tussen de mensen gebeurd als taalevolutie gebeurd eveneens in het interne individuele lichaam. Het is de verdienste van Friedrich Nietzsche taal op te vatten als een fysiologisch proces, op een wijze waarin taal en lichaam in zijn perspectief nog niet één zijn, mij is zijn perspectief daarin niet helemaal duidelijk. Fysiologisch, zoals bijvoorbeeld de spijsvertering. Hij raadt ons aan om zijn werken als een koe te leren lezen. Men nemen een tekst en herkauwt het als een koe, de taal dient net als voedsel verteerd te worden. Hij schreef eveneens graag in aforismen. Korte teksten vragen om uitleggingskunst. Een paradox in de zienswijze van Friedrich Nietzsche is dat hij eigenlijk niet begrepen wil worden. Omdat te begrijpen dien je hem eerst te begrijpen. Wat hij denk ik eigenlij bedoeld te zeggen is dat iedereen op zijn eigen wijzen de teksten verteerd, iedereen zal zijn eigen uitlegging hebben over zijn aforismen. Met het perspectivisme bedoeld hij letterlijk te zeggen dat we op een bepaalde wijze niet voor elkaar te verstaan zijn, wat logische verklaarbaar is doordat een ieder zijn eigen taalevolutie heeft dat door de complexiteit van het leven in ontstaan. Ieder mens is daardoor een uniek wezen op een wijze dat de verstaanbaarheid van taal ter discussie stelt. Doorzie je de paradox, dan is er ook geen paradox meer, hij zegt niet kom in mijn perspectief staan, maar ontwikkel je eigen taalkosmos en haal uit zijn inzichten datgene wat je er zelf uit kunt halen. De onverstaanbaarheid van een taal heeft niet alleen betrekking tussen de individuen onderling maar ook op de vraag of de taal van het verleden verstaan wordt. Het taal project van Michel Foucault is een project waarin de taal discours over verschillende periodes wordt onderzocht. Bijvoorbeeld over hoe er over verschillende periode tegen de waanzin gekeken werd. Wie kan in deze tijd door de ogen van Friedrich Nietzsche kijken? Op zijn minst zou je enige kennis moeten hebben over die tijd. Ik schat in de veel mensen Friedrich Nietzsche lezen zonder historische kennis. Wat moet je daar dan vervolgens uit opmaken? Ook Friedrich Nietzsche is een psychisch dier, zijn wil tot macht was ook een afweer tegen zijn eigen lijden, er zijn een scala aan effecten die uiteindelijk het denken van Friedrich Nietzsche hebben bepaald, waarvan er zeker een actieve kracht van wil tot macht als een causa sui zichzelf heeft gemaakt. De introverte Friedrich Nietzsche moet zeker deze scheppende kracht ervaren hebben. Maar wat is Friedrich Nietzsche dan voor ons? Een constructie! Een voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld dat filosofen het leven en van Friedrich opdelen in drie periodes (waarvan je de religieuze Friedrich Nietzsche van jeugd nog zou kunnen toevoegen). Hier is de taal aan het werk dat de wereld vereenvoudigd en ordent, het apollinische dat werkzaam is, en het leven van Friedrich Nietzsche tot een karikatuur maakt. Elke chaos, elke Dionysische, wordt weggefilterd omwille van de waarheid waarvan we de overtuiging hebben dat logische constructies ons deze waarheid zal brengen. Geen filosoof die tot op heden het Dionysische van Friedrich Nietzsche ooit begrepen heeft. Het enige wat je kunt doen om zo dicht mogelijk bij het perspectief te komen is doen, facimus. Zijn teksten zijn geen denken, zijn denken is wat je moet doen, wat je moet toepassen. Iedere boerenlul die spreekt over Friedrich Nietzsche als laatste metafysicus, heeft niets van Friedrich Nietzsche begrepen, doe het, denk de metafysica weg. Denk het dualisme weg dat de wereld doet verdubbelen, dan pas kom je tot een verstaan waarin hij de ware wereld heeft afgeschaft, daarmee ook de schijnwereld waardoor er alleen nog maar wereld is. Pas dan kom je ook tot het inzicht dat verleden en toekomst, drogbeelden zijn, achterwerelden, karikaturen van willen zien. Dit instinct van willen zien, is een instinct van onvrijheid, dat de woorden gebruikt als middel tot macht over Friedrich Nietzsche in plaats van de macht, de wil tot macht, de levensenergie, over de woorden uit te oefenen. Een wil tot macht dat wil begrijpen in plaats van verstaan.

Elke interpretatie van het verleden is een verstaan van het verleden binnen de eigen bestaanshorizon. Een bestaanshorizon dat niet feitelijk geleefd wordt, maar geleefd wordt door waarde toe te kennen aan de wereld. Een waardetoekenning waarin vrijheid besloten ligt, in de betekenisverlening ligt vrijheid besloten, gratis en voor niets van de natuur gekregen, zaak is om deze levensenergie, wil tot macht tot wil tot vrijheid te richten. De socialist van vandaag is het meest objectieve mens dat ooit is voortgebracht, de diepe overtuiging van het Hegeliaanse objectieve geest. Een dialectiek dat uiteindelijk de laatste draadjes tussen mens en natuur moet doorknippen. Mens is geen natuur meer. Een absoluut dualisme. De socialist met zijn zorg (Martin Heidegger is tot not done verklaard, immers slechte mensen kunnen niet goed denken) voor klimaat, voor natuur, voor een apocalyptisch einde van de wereld zijn geen haar beter dan de mensen die de wereld opsouperen. U wilt objectief zijn? Wordt dan eerst natuur! U bent dezelfde tiran waarvan God u ooit beloofd heeft dat u zal heersen over de natuur. God is dood? Ik zou willen dat u hem vermoord had! Als we filosofie van Emmanuel Levinas ontdoen van haar metafysica komt er een heel pragmatisch beeld tevoorschijn met betrekking tot totalité et infini. De totaliserende mens, in termen van Friedrich Nietzsche het apollinische. Het doen van de mens wordt helder en duidelijk, een doen dat zijn grond vind in de evolutietheorie. Het dier mens is werkzaam. Is het ook niet het wezen van de taal, het werken van de taal dat mensen met andere woorden steeds hetzelfde zeggen? Als achter de woorden steeds hetzelfde gezegd wordt, zijn we dan niet als een hangende langspeelplaat? Terecht merkt Friedrich Nietzsche op de we niet dat we geen tegenpolen van elkaar zijn maar allemaal in posities van elkaar staan; niets kan uit haar tegendelen ontstaan. We zijn allemaal dier mens, met dezelfde instincten en aandriften, zelden tot nooit kom ik mensen tegen die voorbij gaan aan de taal, mensen die het instinct en aandriften aanschouwen van wat de mens eigen, juist die plek waar herkenning met de ander mogelijk is. Zo zag ik bijvoorbeeld veel rechtse reacties op het onderzoek van de salafist Suyab Salem die een groot gebrek aan respect toonde, boze reacties en die van afkeer. Maar zijn afkeer jegens de gevestigde orde is hetzelfde instinct, dezelfde aandrift als die van het opkomend populisme; ‘ik laat jou de betekenis van de wereld niet aan mij opleggen!’. In termen van Emmanuel Levinas, u totaliseert mij, maar ik ben oneindig anders dan u. Een totaliserende denken dat de ander enerzijds tot absoluut ander maakt, anderzijds zichzelf tot absoluut ander maakt wanneer het hemzelf uitkomt. Ik zie het informatietijdperk het als een groot gevaar van deze tijd als een groot gevaar. Mensen krijgen steeds meer informatie te verwerken, zonder dat dit verwerkt wordt, we lopen van hysterie naar hysterie, van de een naar de andere waan van de dag zonder dat er nog sprake is van bezinning over wat de mens over de eigen aard is. We leven in een deskundigendictatuur van mensen die het leven zelf nooit geleefd hebben, maar het leven verdoen hebben achter het bureau. Filosofen die het denken hebben verleerd. Filosofen die het denken tegenover cultuur hebben geplaatst; denken over natuur, in plaats van cultuur het denken te laten denken. Buiten de cultuur staan in plaats van in de cultuur, de illusoire absolute geest. Maar deze absolute geest is meer slaaf van zijn eigen instincten dan wie, elke inkijk op zijn eigen binnenwereld ontbreekt hem meer dan wie ook. Het leven als een logische constructie, illusoire orde waarvan Friedrich Nietzsche terecht opmerkt dat dit de laatste mens, een mens dat geen chaos meer in zich draagt, in een ware wereld leeft die er niet is. Juist in deze periode van de hysterie rondom het racisme is er de roep om het geschieden te maken, in plaats zich over het geschieden te bezinnen. Goede mensen kunnen niet slecht zijn, slechte mensen kunnen niet goed zijn, een geschieden van tegenpolen in plaats van een geschieden van rijkgeschakeerde kleuren. Een geschieden dat geen verstaan meer is, louter eigen bestaanshorizon.

Het ressentiment. Het was Friedrich Nietzsche duidelijk dat de aard van de mens zich al had gevormd voor het geschreven schrift, derhalve schreef hij het ressentiment toe aan de Joodse cultuur. Een Joodse cultuur waar hij respect voor had; een waarden scheppende cultuur. De waan van de socialist van vandaag is te denken dat hij waarden scheppend is, maar alles wat gelijk is heeft ook geen waarde meer. En als het al waarde heeft, dan is dat altijd binnen de horizon van de eigen totaliserende denken; de universele mens. Instincten die gericht zijn op zelfbehoud kunnen in zichzelf nooit waarden scheppend zijn, en instinct dat decadeert door het stilzetten van de evolutie. Een absolute geest dat dat zich laat drijven door zelfbehoud, reageert zuiver op de prikkels van buiten, het reageert op de dingen in plaats zichzelf te activeren. Friedrich Nietzsche had dit feilloos door. Ressentiment is geen Joodse aangelegenheid, maar wat in het instinct wat de mens algemeen is; kudde instinct. Instinct tot zelfbehoud. Een mens waarvan Friedrich Nietzsche terecht opmerkt dat het een afkeer heeft van het leven zelf, een mens dat niet wil ondergaan in het levensproces van ontstaan en vergaan. Een mens dat leeft met de angst van de dood, dat het leven als richtsnoer heeft in plaats van de dood als eindbestemming. Wie goed dood gaat heeft goed geleefd! Angst voor de dood is de grootste onvrijheid van het Zelf, ik heb het keer op keer op keer zelf kunnen waarnemen. Ook hier geeft de filosoof Epicurus ons een wijze raad. Angst voor de dood? Als het leven er is, dan is de dood er niet, als dood er is, dan is het leven er niet. Juist in de omkering van deze waarde, overwinnen van de angst voor de dood, de dood als richtsnoer voor het leven ontstaat vrijheid om regie te voeren over het eigen leven. Wie regie heeft over zijn eigen dood, heeft regie over het leven. Enerzijds is ressentiment het gevolg van angst voor de dood een andere oorzaak is die van de mannelijke dominantie. Mannelijke agressie. Geef de linkse feminist morgen de macht, overmorgen heb je een patriarchaat. Freud had in zekere zin gelijk door te stellen dat we gedreven worden door seksualiteit. In termen van de evolutietheorie worden we echter niet gedreven door seksualiteit als zodanig, maar het nageslacht dat daaruit voortvloeit. De mannelijke agressie dat het eigen nageslacht wil veiligstellen. Zelf ben ik een voorstander van de uiterste consequentie van de biologie; de man heeft geen rechten over het kind! De socialistische wetenschap meent dat de man nodig is voor de opvoeding van het kind, maar noem mij één zelf respecterende vrouw die meent dat het een man nodig heeft voor de opvoeding van het kind? Het gelijkheidsgedrocht van de socialist is de dood van de emancipatie van de vrouw, in een geëffectueerde geëmancipeerde samenleving is de vrouw op dit punt meer als de man. De vrouw bepaald, is baas in eigen buik, is baar over de kinderen en dient de man zich aan te passen aan de wil tot macht van de vrouw. De vrouw is representatie van de natuur, moeder natuur, terwijl de man representatie is van de geest, het  opheffen van deze dualiteit geschiedt via de vrouw. De vrouw is schepper van nieuw leven, de man is niet meer dan een zaaddonor. Door de man de rechten over het kind te ontnemen, ontneem je de man het instinct dat gedreven is het eigen nageslacht veilig te stellen en dwing je de man dienstbaar te zijn met betrekking tot de opvoeding van het kind. Het oude vrouwtje deelde haar wijsheid over de vrouw aan Zarathoestra; ‘wil je aan de vrouw, vergeet dan niet de zweep’. Een matriarchaal of patriarchaal instinct heeft niets te maken met het onderscheid tussen man en vrouw, veel vrouwen zijn instinctief patriarchaal, zoals linkse feministen. Dat socialisten aanschurken tegen de islam heeft niets te maken met idealen, op veel punten geven ze dat ook toe, ook vrijheid van geloof gaat niet verder dan de grens van hun eigen overtuigingen van de universele mens. Een universele mens dat instinctief patriarchaal is!

Bestaat er zoiets als cultuurmarxisme? Een wil tot macht dat de mensheid grijs maakt en beroofd van het eigene? Daar is zeker sprake van, maar zeker niet op de wijze zoals nationalisten zich dat voorstellen. In zekere zin zou je de nationalist zelf cultuurmarxisme kunnen verwijten. Ooit wel eens afgevraagd waarom allochtonen met een islamitische achtergrond oververtegenwoordigd zijn in de politiek en Chinezen, Indonesiërs en negers dat niet zijn? De islam is een loot uit de joods-christelijke traditie en hebben dezelfde onhebbelijke instinct de mensheid onder één noemer te willen brengen. De islam heeft een eigen variatie van de universele mens. De nationalist heeft eveneens een eigen variatie van de universele mens wat voorbehouden is voor de uitverkorene. In die zin ligt het nationalisme vrij dicht tegen de joodse traditie aan. Ik ben wat ik van mijzelf maak, mijn identiteit is wat ik er zelf van maak; ik niet gebonden aan familie, ik ben niet gebonden aan een staat, niet aan tradities, niet aan politieke voorkeuren, niet aan samenleving of gemeenschapszin, niet aan lotsverbondenheid, niet aan tradities, ik ben geen historisch wezen, niet aan cultuur, maar louter wat ik van mijzelf maak, vervreemding is de eerste stap naar autonomie en vrijheid.

 

  1. In termen van evolutie wil ik het woord opportunisme iets ander opvatten als gebruikelijk. In de eerste plaats dient het woord ontdaan te worden van iedere morele connotatie. In de tweede plaats dient ‘naar de omstandigheden’ opgevat te worden als de consequenties van gedrag niet kunnen overzien met het toekomstig gevolg. Wat hedendaagse evolutiebiologen niet lijken te doen is evolutie langs deze late te leggen, terwijl het zonneklaar is dat dit het succes van voortbestaan bevordert. In een ander artikel zal ik aantonen dat evolutie van organismen via alle denkbare omwegen anticipeert op opportunisme.
 
 
Sites Friedrich Nietzsche en wil tot macht
 
 
Meer sites over Friedrich Nietzsche: