Over taal in wetenschap, media en filosofie

Dagboek 8 februari 2021

Als je twee advocaten in discussie ziet dan is het net alsof je naar een natuurwetenschappelijk debat zit te luisteren. Het geloof in de eigen imaginaire orde is los van dat het stuitend is een zeer gevaarlijke dogmatische denkwijze. Een dergelijk dogmatisch geloof maakt het dat een rechter Wijers-van der Marck of een extreem linkse idealist advocate en politicus Britta Böhler niet ver afstaan van bijvoorbeeld extreme groeperingen als het fundamentalistisch islamitische IS. Zou de wet en mensenrechten zich op noodzakelijke wijze aan ons voordoen, dan had ik niet dakloos geweest en van mijn mensenrechten beroofd. Rechtsspraak is mensenwerk en het staat ons vrij om verantwoordelijkheid te nemen voor ons handelen. De kunst  van de wetenschappelijke waarneming is in te zien dat als twee wetenschappers in debat zijn er sprake is van een juridische strijd. Bruno Latour heeft daar een belangrijk beslissingsmoment voor bedacht, dat is namelijk het moment waarin kennis een zwarte doos wordt waarin we naar redelijkheid kunnen spreken over kennis. Wat hij niet wist aan te geven wat het moment nu precies is wanneer kennis dusdanig is geobjectiveerd dat we ook daadwerkelijk kunnen spreken van kennis. Dat kon hij ook niet omdat het samenhangt met de vraag ‘wat is kennis?’. Die vraag is voor mij een persoonlijke zaak. Dit beslissingsmoment bepaald of we te maken hebben met wetenschap in actie waarin de zwarte dozen nog verwezenlijkt moeten worden en afgeronde wetenschap waarin we mogen aannemen dat kennis naar redelijkheid zeker is.

Nooit is het belang  van Friedrich Nietzsche als evolutiedeskundige opgemerkt, Darwinist als ik ben is het denken van Friedrich Nietzsche mij volkomen onacceptabel. Moeilijk val op te sporen waar de denkfout van Friedrich Nietzsche zich precies bevindt. Ook Friedrich Nietzsche is uiteindelijk slachtoffer geworden van het grote getal en causaliteitsdenken. Men meende dat Friedrich Nietzsche een anti Darwinist was, dat was hij zeker niet. Friedrich Nietzsche probeerde altijd zijn stoel tussen voor en tegen te zetten, juist daarom kreeg hij weinig bijval. Vergeef mij, er zijn weinig filosofen die zoveel inspirators heeft als hij, echter bijval heeft hij niet echt gehad. De grote fout die Nietzsche heeft gemaakt is zijn eigen ‘wil tot macht’, wil tot vernietiging, dat wil zeggen wil tot scheppen, tot de kracht en macht van de zon heeft gemaakt en het Darwinisme tot de kracht en macht van de maan. Hoezeer ik ook geïnspireerd mag zijn in Friedrich Nietzsche, vanuit evolutionair en wetenschappelijke principe is dit onmogelijk te verteren. Het doet zeer aan de ogen dat hij deze denkfout heeft kunnen maken omdat hij vanuit zijn eigen denken als vanzelf helder wordt dat hij zijn wil tot macht had moeten positioneren als de maan dat aan de zon trekt. Het enige wat hij had hoeven aan te tonen was het belang van de maan. Als wij een maatschappij van nuttelozen, overbodigen, overtolligen, veel te velen hebben waarvan maar een zeer klein deel daadwerkelijk bijdraagt aan de instandhouding van de soort, dan spreekt ook voor zich dat zijn denken in de positie staat van de maan en het Darwinisme in de positie van de zon. Het organisch biologisch proces is echter mechanistisch niet overeenkomstig met de levenloze natuur, ergens houdt het metafoor van de zon en de maan op.

Het Newtoniaans denken is een machtsconstruct, hoezeer bijvoorbeeld de kwantummechanica ons laat een andere kant van de natuur laat zien, baseert de deskundigen van de levende natuur zich op het Newtoniaans denken. Voor de levende wetenschapper is het Newtoniaans wereldbeeld noodzakelijk omdat als dit wereldbeeld niet aan het Newtoniaans wereldbeeld voldoet hij zijn macht verliest, want deze wetenschapper ontleent zijn macht aan het noodzakelijke en universele van het wereldgebeuren. Zonder dit gegeven verliest de wetenschapper zijn positie als representatie van autoriteit, deskundigheid en waarheid. Oorzaak en gevolg draait om perceptie, vraag aan een wetenschapper of de zon aan de maan trekt of andersom, dan zijn er nog steeds veel wetenschappers die zullen zeggen dat de maan verwaarloosbaar klein aan de zon trekt. Een dergelijke uitspraak is bepalend met welke perceptie de wetenschapper naar oorzaak en gevolg, maar hoe hij kijkt naar de dingen. Als ik de aantrekkingskracht van de maan mag verwaarlozen, dan zouden de natuurwetten er niet kunnen zijn en derhalve had het hele universum niet kunnen bestaan! Een dergelijk denken laat zien hoe naar oorzaak en gevolg gekeken wordt en hoe de dingen an sich worden verklaard. Een monistische blik kijkt naar de eenheid van de wereld dat zich vormt. Ergens in dat vormingsproces verdwijnt oorzaak en gevolg in de zin dat de dingen geen opeenvolging zijn maar waardebepalingen zijn van grootheden. Waardebepalingen die vanuit natuurwetenschappelijke zin objectiveerbaar zijn maar waarvan het effect wordt bepaald door de eenheid van de wereld in plaats van de dingen op zichzelf. Met betrekking tot het voorbeeld, de zon en maan zijn een eenheid. Nu weet ik eveneens dat de zon velen en velen malen sterker aan de maan trekt dan andersom, verwaarlozen van, een dergelijke perceptie zou ik mijzelf niet willen aanmeten.

Er zit iets vermakelijk in de evolutietheorie omdat het zo klaar is dát het zichzelf ondermijnt met betrekking tot het Newtoniaans wereldbeeld. Was Friedrich Nietzsche niet ten prooi gevallen aan het grote getal en had hij erkend dat met betrekking tot het Darwinisme zijn wil tot macht de maan was en Darwin de zon, dan had hij misschien wel de bijval gehad. Biologische processen zijn niet geheel de mechanische processen van de levenloze natuur en dat zien we terug als we de processen van de levende natuur, de sociologie, weer toepassen op de zon en de maan. De strijd om het bestaan. Het grootste dogma met betrekking tot de evolutietheorie is wel biologische evenwicht of ecologisch evenwicht, zelfs nu zijn er nog veel wetenschappers die geloof hechten aan dergelijk dogmatisme. Ik gebruik het woord niet vaak en liever helemaal niet, maar met welk gebrek aan realiteitszin moet je niet te maken hebben om geloof te hebben in een dergelijke ideële evenwichtstoestand?