Over taal in wetenschap, media en filosofie

Een van de beste giften van een denker is het vermogen om jezelf te kunnen ondermijnen. Echter, wat ondermijnt zich hier? Hoe ben ik gevormd; welke aandeel heb ik daarin gehad? Het leven van Friedrich Nietzsche was als een boom, een zaadje dat ontkiemt, zijn takken in in de omgeving tot ontplooiing brengt waarin de vraag gesteld moet worden of takken gevormd wordt door de omgeving of door zichzelf. Het leven van Friedrich Nietzsche kenmerkt zich door het afzetten van zijn eigen leraren; de vruchten aan zijn boom waren zijn vruchten. Hoe slecht is het met onze leraren gesteld? Willen de leraren van tegenwoordig niets liever dat zijn vruchten aan de bomen van de leerling komt te hangen? Het intellectualisme van  tegenwoordig heeft iets beschamend, banaals, iets wat tegen het gevoel gekeerd is. Het meest pregnant wat zich aan de voorgrond voordoet is het verloren gegaan van de ambacht. Dee levensenergie drukt zich uit in de materie, vormt de materie, wat zijn de intellectuele vermogens als het geen band heeft met de materie dat het vormt? De meest meditatieve moment van een kunstenaar is het moment dat het opgaat in het werkstuk; één wordt met de materie dat hij bewerkt, vormt en esthetische schoonheid geeft. Vijftig meter verderop staat een kunstwerk in een vitrine, twee stoelen die zijn stuk gezaagd en op ongebruikelijke wijze tegen elkaar zijn geplaatst. Er is op geen enkele wijze nog moeite gedaan er ambacht in te brengen, er is geen moeite gedaan om er esthetische schoonheid voor het oog in te brengen; we hoeven er alleen nog maar over na te denken. Hoe anders kon Friedrich Nietzsche in zijn latere leven zich tegen het genie keren? Ik geef het grif toe, de hedendaagse intellectueel heeft iets aanstootgevend, een onbeschrijflijke lelijkheid dat tot stand is gekomen door een absoluut vergeestelijking van het denken; elke contact met de materie, de natuur is verloren gegaan. En met de voortschrijding van de vergeestelijking hoe verder wij afstaan van onze natuur; hoe verder wij afstaan van de kennis over onszelf. 

De hedendaagse straten van de stad weerspiegelen wat de burger is voor de ten-tonele-brengers; alles ten gunste van nut; economie en spaarzaamheid en een aanblik van onbeschrijflijke lelijkheid. Alles berekend en beredeneerd. Het valt mij op dat de jonge medemens slecht is opgevoed, elke dag opnieuw loop ik door het station en zie het vertrek bezaaid met afval van de fastfoodketens. En ze hebben gelijk! Ze hebben groot gelijk, ze hebben alle gelijk van de wereld, wat kun je nog lelijker maken dan wat is? Wat de jonge medemens verkeerd doet moet aan de oudere generaties verbeterd worden. Er is niets dat de straat zo ontsiert als een generatiegenoot, misschien is een verplichting tot de boerka voor de oudere generaties toch niet een slecht idee. Te aanstootgevend om ernaar te kijken. En dat zijn de leraren voor de toekomstige generaties. De jonge generaties zouden zichzelf de kunst van de ambacht moeten aanleren, hen rest geen andere keus dan het zelf aan te leren; de ambachtsman is bijna uitgestorven. De hedendaagse jonge mens kenmerkt door het steeds verder afdrijven van het Zelf; hun vrijheid, ze kunnen niet anders, meten ze af aan de samenleving zelf.