Over taal in wetenschap, media en filosofie

dagboek 28 januari 2021

Voor wil tot macht doe ik het niet meer; de centrale vraag is hoe levensenergie manifesteert in haar doelmatigheid naar nut (strijd om het bestaan) en de esthetica. Onmiskenbaar stroomt de energie van het agens daar naartoe wat zich in elk organisme toont; symmetrie. In de vogeltjeswereld is het mannelijke geslacht de manifestatie van de esthetica, vaak door matriarchale structuur en bij de mens is dit precies andersom. Friedrich Nietzsche heeft de wil tot macht te basaal uitgedrukt als wil tot vernietigen waarbij hij natuurlijk wel het goed oog bezat om het vernietigingsproces met betrekking tot het wordingsproces op waarde in te schatten; slechts door te vernietigen schept men. (zei zijn kritiek op Alfred Russel Wallace/Darwin (genalogie van de moraal?)). Schopenhauer heeft een punt als hij de wil in het noumenale situeert, echter als volgeling van Kant heeft hij de metafysica en transcendentale filosofie afgezworen. Waarom? Vorm en inhoud; het vormende van het levende organisme loopt voor de inhoud uit, de materiële wereld, met als gevolg dat het agens fundamenteel onkenbaar is. We zien alleen de gevolgen uitgedrukt in de materiële wereld. Heeft Nietzsche nu de dualiteit tussen wil en wereld verdienstelijk opgelost? Waarom zou ik ‘wil tot leven’ of ‘wil tot macht’ niet reduceren tot levensenergie? Immers, is metabolisme niet meer of minder dan de energieomzetting ten behoeve van de levensenergie? En is het waartoe niet waarneembaar nut en esthetica? En waarom zou de actieve materie zichzelf niet willen kennen; is een dergelijk natuurlijk streven niet van allergrootste nut ten behoeve van de esthetica?

Zijn wij immoralisten niet in de eerste plaats esthetici met afkeer van de ethiek, een afkeer van de kuddemoraal? En Friedrich, zouden we niet eveneens de aristocraat moeten willen vernietigen ten faveure van het solitaire dier? En zouden we dit solitaire dier niet kunnen scheppen door de macht over te dragen aan de vrouw? En zou die vrouw niet de ultieme machtsmiddel hebben om de man buiten te sluiten met betrekking tot de opvoeding van het kind? Immers, heeft de vrouw niet haar onvervreemdbare rechten over het kind? Vraagt een dergelijke omkering van de waarde, de macht niet in allereerste plaats een herdefiniëring van de man;

‘want de vrouw vormt zich een beeld van de man, en man vormt zich naar dit beeld’ (De omkering van de waarden; Nietzsche, Vrolijke Wetenschap)

En willen we allebei niet de taal van de natuur leren spreken? Het vermannelijkt instinct, de taal van de man dat de taal van de natuur wil leren spreken?

Want laten we eerlijk zijn Friedrich, hoeveel kwaad zit er in de man; wij beiden weten dat de geest een vooroordeel is, wat zeg ik, vooroordeel? Ach, Friedrich, noem het een leugen, want een leugen is het! Want wordt de man niet door de geest gerepresenteerd en de vrouw door de natuur? Het is een leugen, een leugen waarmee de vrouw beroofd is van haar macht!

Laten we van de wereld een kunstwerk maken en onze ogen afwenden van het kuddedier van de ethiek. Want is ethiek niet meer dan evolutionaire groepsselectie? 

Laten we van de ethiek een kunstwerk maken, immers, heeft niet elke samenlevingsverband een imaginaire orde nodig en volgt niet op elk gemeenschappelijk doel een imperatief? Laten we van de wereld een kunstwerk maken.