Over taal in wetenschap, media en filosofie

dagboek 9 januari 2021

Is mijn eerste angst dat in mijn geesteswetenschap besloten ligt, niet dat de wereld mij geen andere mogelijkheid laat dan mijn waarde in de ander te leggen? Is de onmogelijkheid ervan om hier buiten te treden niet datgene wat als eerste feitelijk kan worden vastgesteld? En heb je deze angst niet nodig om juist de ander in zijn anders-zijn te bewaren? 

Het machtigste wapen, gereedschap dat een mens in zich heeft is die van de intense haat. De kolkend stromende rivier van de haat naar het gewenst doel laten banen vraagt om het uiterste heersen over het eigen gevoel. Is de intense haat niet de grootste zelf beproeving? Althans, als je deze haat nog kunt voelen. Want als objectiviteit niet naar de uiterste pool van de subjectiviteit is geplaatst, blijft er dan nog gevoel over? Mijn levenservaring zegt van niet.

Is het niet juist daarom waarom ik realisten, idealisten, socialisten zo intens kan haten, omdat ik egoïstisch genoeg ben om mijn het rijk van taal en betekenis voor mijzelf op te eisen? Het gevoel wil elke socialist onder je schoenzool, je gevoel wil het onmogelijke van jezelf; ze verbeteren, rest dan niet de weg om niet meer om te kijken, geen aanklager te zijn tegen dat wat alles lelijk maakt? Ik haat ze allemaal, eens zal het tot hun verstand doordringen dat ze mij lost moeten laten, mij moeten laten gaan; want mijn haat streeft ergens naartoe, mijn rijk van taal en betekenis.

Wanner wordt het de ander een keer duidelijk dat ik je haat! Haat wil de wereld anders maken, ervaren jullie dan niet dezelfde haat naar mij toe? De gedragsdeskundige is objectief geworden, het heeft geen gevoel. 

Is the open society and it’s Enimies niet in de eerste plaats een betoog tegen het redelijke verstand, een betoog van een onredelijke macht in de strijd om het bestaan van de betekenis dat de ontkracht, ont-macht middels een gij zult waardoor het de eigen macht op de ander kan botvieren? Het wonderbaarlijke aan een socialist is dat het elk woord kan toe-eigenen wat het niet eigen is; elk ‘ik wil’ weet men te transformeren tot  ‘wij willen’ en onder de oppervlak dringt zich het totalitarisme van het ‘u behoort ons toe’ door. En ik zeg u, ik behoor niemand toe, zelfs niet aan mijzelf want nooit zal ik twee keer in mijn eigen rivier kunnen staan.

Ik heb een afkeer van extraverte mensen, de penetratie van mannelijk geslachtsdrift, ligt niet juist daarin het bewijs dat we een teveel aan mannelijk instinct in ons dragen? Wat mij prikkelt is dat zowel Friedrich Nietzsche als ikzelf tussen de vrouwen is opgevoed en beide het verlangen dragen om de natuur in ons op te nemen. De grootste bedreiging voor de extraverte lijkt wel de stilte, elk stukje levensruimte moet opgevuld worden door loze klanken, en hoe meer het wil verbinden hoe verder het van mij afstaat. 

Ik ben een egoïst; mijn taal en betekenis is mij het meest dierbaar, van daaruit beweegt mijn stroom van willen naar de ander: de communicatie. Wat het het koude kille monster de staat mij het best heeft bijgebracht hoe kinderlijk eenvoudig het is om de communicatie tussen mensen te verstoren. Het is ongelooflijk hoeveel schade het gerecht van Kafka heeft veroorzaakt. Bijkomende schade, want de enige schade die ik heb is dat ik niemand meer ben, maar omdat dit mijn doel is kan dit geen schade heten. Zeg nee tegen manipulatie en je maakt mee wat er voor verachtelijk uitschot bij justitie werkt.

Het leven, mijn leven komt mij steeds meer wonderlijk voor; waarom denken mensen überhaupt dat ik begrepen zou willen worden? Ja, er zijn velen momenten geweest, vele situaties, vele noodzakelijke momenten, maar nooit heb ik ook maar één behoefte gehad dat ik begrepen zou willen worden. Het is mijn reis, het is mijn weg en ben waarschijnlijk geschapen voor het korte gezelschap, vaarwel mijn reis gaat verder….en als ik mijn leven aan iemand zou opdragen, dan is het aan mijn moeder, mijn moeder alleen.

De pastor hier vroeg naar onze jeugd, onze toekomstdromen van onze jeugd. Tot mijn achttiende is er bij nooit, maar dan ook een gedachte opgekomen over wat ik later zou willen worden. Ja, achttien, een moment dat je iets moet worden! Er zijn wel momenten in mijn jeugd geweest waarvan ik gehoopt heb dat deze mijn leven hetzelfde zou blijven; kind blijven. Als je hier zit als dakloze dan is je wereld donker, zit je in een dal, ben je teleurgesteld, althans zo is dat wat de pastor denkt wat de dakloze denkt en voelt en dat is natuurlijk voor 99,9999999% waar, en waarom juist ik ben die 0,00000001%, heb ik dat van mijn jeugd geleerd? Ben ik geworden wat ik ben? Wat heb ik met kleine armoede van doen? Ik zou mijzelf pas niet meer kunnen aanzien als ik aan de grote armoede zou gaan lijden en het leven is zo bijzonder omdat de overtollige in het geheel niet aan de grote armoede schijnt te lijden. Ik ben juist blij  dat ik hier ben, ik ben blij dat ik dit meemaak; dat wat mij een leven lang angst heeft ingeboezemd. blijkt juist nu een angst dat er nooit had hoeven te wezen, wat heb ik met kleine armoede van doen!