Over taal in wetenschap, media en filosofie

Oorsprong van de taal

dHet schijnt dat Ludwig Wittgenstein bij Bertrand Russel langs ging, hem een scriptie in handen gaf, en hem vroeg dit te lezen met de draag of hij nu een genie was of een volslagen idioot. Bertrand Russel moet iets in hem gezien hebben, zijn eerste en eigenlijke enige werk was inderdaad niet onverdienstelijk. Bij de tweede fase van Wittgenstein zal Bertrand Russell misschien gedacht hebben dat hij waarschijnlijk toch met een volslagen idioot van had. Zelf denk ik dat Ludwig Wittgenstein een volslagen idioot was met zeer geniale ingevingen. Wittgenstein I zocht de grenzen op een empirische taal; de grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld. Zelf heeft hij altijd beweerd dat zijn Tractatus nooit begrepen is, Douglas Hofstadter heeft iets dergelijks ook over zijn werk beweert. Het klinkt mooi en hoogstaand om een dergelijke bewering te doen, echter; dat wat niet gezegd kan worden, daar kun je beter over zwijgen. Bij een dergelijke zonderlinge bewering kun je er inderdaad beter het zwijgen toe doen.

Er is niets dan zo evident als de oorsprong van de taal; namelijk niets. De moeilijkheid komt met deze zin meteen naar voren, namelijk het feit dat aan beide niets een verschillend gebruik en betekenis ten grondslag ligt. Er is denk ik, op een paar volslagen idioten na, geen wetenschapper die niet aanneemt dat het ‘universum uit het niets komt’. Einstein heeft heeft fundamenteel aangetoond dat ruimte en tijd een oorsprong hebben, vertaald naar ruimte-tijd.  Als de zwarte dozen eenmaal zijn gesloten en kennis algemeen wordt geaccepteerd, er geen twijfel over bestaat, is het soms goed om twijfel te zaaien door deze zwarte doos weer open te trekken. Zeker als gaat over iets wat fundamenteel is in het denken over kennis en natuur. Het probleem kan niet opgelost worden in de natuur zelf, het betreft hier een fundamenteel een problematiek van de taal zelf. De grenzen van de taal is de oorsprong van de taal, net zo goed als dat je kegelvormige grafiek kan maken voor het ontstaan en uitdijen van het universum in de ruimte-tijd, kun je dat evengoed doen voor de ontwikkeling van de taal. De oorsprong van beide noemen wij niets. Wat wij echter benoemen kan niet benoemd worden, kan niet betekent worden, onzegbaar, elk teken, elk woord, elk geschreven woord, elk wijzen is er een teveel. Opmerkelijk is dat de Babyloniërs inderdaad geen teken hadden voor het woord niets. Er is maar één mogelijkheid om een intuïtief besef te ontwikkelen als het gaat om datgene wat je zou willen aanwijzen binnen het bereik van de taal te brengen; de logica. Maar eenmaal de logica er van ingezien, dien je deze logica zelf weer als een ladder achter je vandaan te trekken om de wereld goed te zien.

Deze logica is geen hocus pocus, geen hoogdravende inzichten, we hebben geen Einsteiniaanse verbeeldingsvermogen of wiskundig intellect om hier notie van te vernemen. In no nonsense taal is deze problematiek helder en duidelijk naar voren te brengen, zonder omhaal, zonder breedsprakigheid, onze intellectuele vermogens zullen niet op de proef gesteld worden met betrekking tot dit probleem. Het is te simpel om waar te zijn, logisch gezien toch echt waar. Hoe komt het ons niet voor dat wat voor onze voeten ligt niet gezien wordt? Het probleem is namelijk dat niets geen empirisch gegeven is, moeilijker is het niet! Nu is het ongetwijfeld  zo dat ik niet de eerste ben die dit heeft ingezien, ik denk dat veel wetenschappers hier weinig anders over denken, echter men heeft de gevolgen er nooit van ingezien binnen de taal zelf. Hoe is dit mogelijk? Dat komt omdat we geëvolueerd zijn tot metafysische dieren, idealisten, een dualistische taal hebben ontwikkeld met als gevolg dat denken buiten of tegenover de natuur (buiten de wereld, buiten het universum, buiten de materie etc etc) staat. De grondproblematiek ligt in het woord bestaan waarin wij ons zelf het vermogen verschaffen gedachte inhouden als niet-bestaan te duiden. Meest gebruikte voorbeeld in de filosofie is die van de eenhoorn. Dit dier bestaat alleen in onze gedachten, bestaat niet echt, bestaat niet in de wereld, bestaat niet in dit universum. Hoe logisch dit ook voor ons mag klinken, het is onwaar, want met deze constructie geef je het denken, onze denk inhouden, een plek buiten de logische ruimte, buiten het universum, buiten de ruimte-tijd. Eenmaal ingezien dat de gedachten inhouden op equivalente wijze bestaan als de empirie zelf lossen alle filosofische problemen zich als sneeuw voor de zon op. Een en ander betekent het einde van de metafysica, het einde van het idealisme, het einde van de dualisme. Door toepassing van het equivalentieprincipe tussen gedachte inhoud en empirie wordt de kloof tussen denken en inhoud gedicht en wordt een weg gebaand naar een monistische wetenschap. Hedendaags monisme bestaat uit gratie van spiritueel monisme, hoewel er veel wetenschappers zijn die monistische overtuigingen hebben, spreken ze nog geen monistische taal. Zoals ik tegen taal aankijk zal het generaties duren alvorens wij een dualistische spreekwijze hebben omgebogen tot een monistische spreekwijze.

‘Het universum komt uit het niets’ (Einstein), het hardnekkigste geloof wat we als mens hebben is denk ik wel het geloof in de grammatica. Los van het gegeven dat aan het woordje niets geen teken gegeven kan worden hebben we te maken met het voorzetsel uit, en het lidwoord het. Beide zijn grammaticale misleidingen, in het geval van de voorzetsel is niets alom aanwezig; waar iets is moet niets zijn. In het geval van het lidwoord vatten we niets op als een entiteit. Entiteiten doen zich voor in de empirie, of entiteiten zich buiten de empirie voordoen, daar kunnen we alleen maar het zwijgen toe doen. Wetenschappelijk is het namelijk evident dat we buiten de demarcatiegrens van de wetenschappelijke vraagstelling treden. De wetenschap heeft daar geen antwoord op. Volgen we de logica dan valt moeilijk in te zien dat niets zich als een entiteit aan ons zou voordoen. Hieruit volgt dat de zin van ‘het universum komt uit het niets’ gereduceerd dient te worden tot ‘het universum komt’, met andere woorden, met andere woorden, behalve dat het universum komt, zeggen we helemaal niets. Laten we de situatie nog hachelijker maken; bestaat God? Het is evident dat ook deze vraag zich buiten de demarcatiegrens van de wetenschappelijke vraagstelling bevindt. Wat echter moeilijk van te ontkennen, dus wat evenzeer evident is, is dat deze wetenschappelijk gezien leeg woord een gigantische invloed heeft uitgeoefend op onze geschiedenis en onze staat van vandaag. God bestaat als woord, hoegenaamd in de betekenis leeg; imaginair, valt de invloed van het woord niet te ontkennen! God bestaat, afhankelijk wat je verstaat onder bestaan. Een gewetensvraag, zouden we wetenschap kunnen bedrijven zonder dit imaginaire? Andere vraag, kan
niet-bestaand invloed uitoefenen op het bestaande? Binnen het strikt determinisme dat de hedendaagse wetenschap hanteert kan dit zeker niet, die mogelijkheid bestaat alleen binnen het indeterminisme. Een andere mogelijkheid zou zijn om God als reëel gegeven te aanvaarden buiten de logische ruimte die zich aan ons heeft geopenbaard. Die wetenschappers heb je, maar ik kan daar geen geloof aan hechten, over sommige zaken kan ik alleen maar zwijgen. Indeterminisme heeft overigens wel een deterministische variant, daarover later meer bij de vraagstukken van de levende natuur. Neem je als wetenschapper God als bestaand aan, dan kun je bijvoorbeeld het christendom in haar oorzakelijkheid herleiden. Ik zou niet goed weten hoe ik dat zou kunnen als ik God voor niet-bestaand houd. Elke wetenschappelijke verklaring van het christendom loopt spaak omdat de dualistische wetenschap dezelfde aanspraak maakt op de metafysica als het christendom zelf! Dit vooropgesteld dat we de zaken binnen het bereik van de taal bezien. 

Volgend bericht ‘differentiatie’

Volgend bericht ‘materie’

Volgend bericht ‘wat van de wereld’