Over taal in wetenschap, media en filosofie

Friedrich Nietzsche en het klimaat

Is de laatste mens een visioen van Friedrich Nietzsche waarin hij zijn blik vooruitwerpt op de mens van vandaag? Je wordt wat je bent. Is de ecologische crisis het gevolg van de mens geworden is wat hij is? Had Friedrich Nietzsche misschien ingezien wat de mens tot dan toe was en wat er van de mens zou worden. Had hij daaruit de conclusie getrokken dat een laatste mens zou komen? Zonder dat ik hier serieus over heb nagedacht, wil ik wat grondtrekken van het denken van Friedrich Nietzsche invoegen in mijn denken over taal en mens.

Het kuddedier mens zal nooit ontkomen aan het gegeven dat het op een bepaalde wijze religieus zal zijn. Om dat te begrijpen is het noodzakelijk om het woord religie nader te  preciseren. Als we eenmaal exact hebben aangegeven wat we onder religie dienen te verstaan, dan wordt ineens helder waarom Friedrich Nietzsche belang hechtte aan zijn God is dood. Het is voor mij makkelijk praten met de kennis van nu, maar met redelijke zekerheid kan ik zeggen dat Friedrich Nietzsche zijn blik boven de horizon van het dier had uitgetild, hij zag wat we doen.

Het woord God is imaginair, ontsproten uit onze fantasie. Dit woord is echter niet alleen ontsproten uit de fantasie maar is een leven gaan leiden in de levende wereld met de wetten van de natuur; de strijd om het bestaan van de betekenis (survival of the fittest). De term Nederland is eveneens imaginair, eveneens ontsproten uit onze fantasie, is eveneens een leven gaan leiden in de levende wereld met de wetten van de natuur; de strijd om het bestaan van de betekenis. God als woord aan de top van de piramide genereert cultuur, sociale regels, moraal, volk. Niet anders is het gesteld met de term Nederland; ook deze staat aan de top van de piramide waarin het gepeupel en ten-tonele-brengers een strijd om het bestaan van de betekenis voeren om de betekenis van de imaginaire orde Nederland. Je hoeft geen psycholoog of socioloog te zijn om te beseffen dat wat in de piramide gebeurt onder het woord God, het christendom, van dezelfde aard is als wat er in de piramide gebeurt onder het woord Nederland, de Nederlander. Gezien dat de aard hetzelfde is is het woord religie niet alleen voorbehouden aan een geloofsrichting maar evengoed hoe wij een woord als Nederland gebruiken. Wat Friedrich Nietzsche denk ik heeft ingezien is dat we vrij zijn om welke imaginaire orde dan ook kunnen maken zoals we deze hebben willen. Wat hij denk ik eveneens heeft ingezien is dat het kuddedier eerst individu zal moeten worden. Dit wil zeggen dat het woord religie gedefinieerd dient te worden tegen de achtergrond van de imaginaire orde.

Wat ik hier bovenstaand schrijf zijn mijn woorden, mijn inzicht, mijn kennis van vandaag. Zo was Friedrich Nietzsche niet bekend met de term imaginaire orde, was hij niet bekend met de strijd om het bestaan van de betekenis, was hij evenmin bekend met de inzichten in de evolutietheorie van vandaag, de wetenschap van de psychologie of sociologie van vandaag. Toch heeft hij dit denk ik gezien. Zien, kijken, de ogen is een belangrijke grondtrek in het denken van Nietzsche; om de horizon van het dier te zien, moeten er eerst geen woorden meer zijn. Maar als er geen woorden meer zijn, hoe moet ik dan uitdrukking geven aan wat ik ervaar aan het lichaam? Wat zijn dan vervolgens die woorden dát daar uitdrukking aan wil geven, waar komen die woorden vandaan? Wat doen die woorden vervolgens? wie, wat, hoe worden die woorden gegenereerd; ‘we worden wat we zijn’? Kuddedieren, dieren die je eerst de oren stuk moet slaan om te leren luisteren met onze ogen? Het noodlot van onbewust zijn is dat we worden wat we zijn, want als het onbewuste werkzaam is voor wat we worden, dan is er geen bewust zijn dat sturing kan geven, het onbewuste een andere richting kan geven. Onbewuste/bewuste is de wetenschappelijke terminologie van vandaag die in de psychologie gebruikt wordt. Friedrich Nietzsche gebruikte andere termen; Het Zelf en het Ik. Ik stel vast dat er nog geen psycholoog is geweest die Friedrich Nietzsche ooit heeft overtroffen, daarom kon hij met beperkte inzichten dat zien wat de hedendaagse psycholoog nog steeds niet kan zien omdat hij door de woorden het kijken is verleerd. Ik denk dat Friedrich Nietzsche in de gaten had wat we met de taal doen. Voordat ik mij daadwerkelijk in Friedrich Nietzsche was doen ook het vertrekpunt van mijn denken en dat vergemakkelijkte het om in het perspectief van Friedrich Nietzsche te gaan staan. Facimus, we doen. Andere terminologie die Friedrich Nietzsche onbekend was, was de terminologie die tegenwoordig ontleend wordt aan Carl Gustav Jung; introvert en extravert. Het is niet moeilijk in te zien dat Friedrich Nietzsche uitzonderlijk introvert was. Daarnaast vond Carl Gustav Jung ook het woord archetype uit, een term dat Friedrich Nietzsche niet gebruikte, maar die ik zal voorbehouden aan drie archetypes; de man, de vrouw en het kind. Volgens Friedrich Nietzsche zouden we in ons proces van individualisatie de gedaantewisselingen moeten ondergaan van kameel naar leeuw naar de laatste fase van het kind moeten ondergaan. Eenmaal de kudde in jezelf overwonnen, ga je ten gronde, ga je onder, word je individu en kijken we als een kind in de wereld.

Als we nu aan Friedrich Nietzsche zouden vragen welk woord hij aan de top van de piramide van de imaginaire orde zou willen plaatsen, dan kun je er gif op innemen dat dit het woord natuur of wereld zal zijn. Andere woorden die hij had kunnen gebruiken was bijvoorbeeld heelal, kosmos, materie, universum. Al deze tekens verwijzen namelijk naar hetzelfde; de wereld is alles, wat het geval is. De eerste stelling uit de
tractatus Logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Bij deze eerste stelling scheiden meteen de wegen tussen Friedrich Nietzsche en Ludwig Wittgenstein, want alles is het geval, elke waarde wordt als feit ingevoegd in de wereld, kan afgebeeld worden, dat wat getoond wordt zou ik bij Friedrich Nietzsche willen aanwijzen als het Zelf, het natuurlijk instinct. Dit Zelf is volgens Friedrich Nietzsche neutraal, de aandrijvingen, het instinct is neutraal. Hier toont Friedrich Nietzsche dat hij zijn tijd ver vooruit was, want deze neutraliteit verklaard de oorsprong waarom in de natuur  er sprake is van matriarchale of patriarchale dominantie. Dat een mannelijk dominant instinct zich anders zal vormen dan een vrouwelijk dominant instinct is simpel te verklaren uit het gegeven dat de vrouw schepper is van nieuw leven, barende is en de man niet meer is dan zaaddonor.

Voorbij goed en kwaad – paragraaf 9
‘Naar de natuur willen jullie leven? O nobele stoïcijnen, welk een bedriegerij van woorden! Denk je een wezen in als de natuur, mateloos verkwistend, mateloos onverschillig, doelloos en onverbiddelijk, zonder erbarmen of rechtvaardigheid, vruchtbaar, woest en ongewis tegelijk, denk je het indifferente zelf eens in als macht – hoe zouden jullie in overeenstemming met dit indifferente kunnen leven? Leven – is dat niet juist de wil anders te zijn dan deze natuur? Is leven niet taxeren, prefereren, onrechtvaardig zijn, begrensd zijn, different willen zijn? En als jullie imperatief ‘naar de natuur leven’ in laatste instantie zoveel betekent als ‘naar het leven leven’- hoe zouden jullie dat dan niet kunnen? – Waartoe datgene wat jullie zijn en moeten zijn tot principe verheffen? – In werkelijkheid ligt de zaak heel anders: terwijl jullie in verrukking de canon van jullie wet uit de natuur pretenderen op te maken, willen jullie het omgekeerde, jullie wonderlijke toneelspelers en zelfbedriegers! Jullie trots wil aan de natuur, zelfs de natuur, jullie moraal, jullie ideaal voorschrijven en opdringen, jullie eisen dat zij ‘naar de stoa’ natuur is en zouden al het bestaande slechts naar jullie eigen beeld willen laten bestaan – als een enorme, eeuwige verheerlijking en generalisering van het stoïcisme! Met al jullie liefde voor de waarheid dwingen jullie jezelf zo lang, zo volhardend, zo hypnotisch – star tot een onware, want stoïcijnse kijk op de natuur, dat jullie haar niet anders kunnen zien, – en een afgrondelijke hoogmoed inspireert jullie ten slotte zelfs tot de krankzinnige hoop dat, omdat jullie er in slagen jezelf te tiranniseren – stoïcisme is zelftirannie-, ook de natuur zich zal laten tiranniseren: is de stoïcijn dan niet een stuk natuur?….Maar dit is een oude, eindeloze geschiedenis: wat indertijd met de stoïcijnen gebeurde gebeurt nu nog, zodra een filosofie maar in zichzelf begint te geloven. Zij schept de wereld altijd naar haar beeld, zij kan niet anders, filosofie is deze tirannieke aandrift, de geestelijke wil tot macht, tot ‘schepping’ van de wereld, tot causa prima.

Met andere woorden, we zijn eigen oorzaak van het scheppen van imaginaire ordes; we scheppen de wereld naar ons beeld, dat wij dit doen is noodzakelijk, universeel. De term imaginaire orde kende Friedrich Nietzsche niet, zelf kan ik niet om de indruk heen dat wat hij al zag, later is uit gevonden met het woord. Friedrich Nietzsche had ook al opgemerkt dat de vaak zo is dat men nieuwe woorden uitvindt in plaats dat men nieuwe dingen in de empirie ontdekt.  

Hoe kan het ook anders dan dat hij in Morgenrood zegt:

‘Leer u zelf kennen’ is de hele wetenschap. – Eerst aan het eind van het leren kennen van allen dingen zal de mens zich  zelf hebben leren kennen. Want de dingen zijn niet meer dan de grenzen des mensen. (Friedrich Nietzsche, Morgenrood, eerste boek, paragraaf 48, Leer u zelf kennen)

Wat Ding voor Friedrich Nietzsche is, is te vergelijken met de etymologie van het woord ding; rechtszitting, een samenkomst waar recht gedaan wordt, volksvergadering van alle vrijen (oergermaans); trekken, spannen, uitbreiding, uitspreiden, strekken. Hoe stoppen we onszelf in de materie, in de dingen, het gaat hem erom hoe de dingen zich in ons manifesteren, hoe we er namen, tekens aan geven, hoe wij de wereld vormen naar ons beeld. Dit proces van vorming is thans een strijd om het bestaan van de betekenis. De mens dat zich bewust is van dit proces, heeft de vrijheid om tekens te plakken zoals hij maar wil, kan eigen imaginaire ordes genereren zoals het hem belieft, maar ja, wat moet je met je medemens, kuddedieren; Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen: – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zal van nu af aan mijn liefde zijn! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet eens de aanklagers aanklagen. De blik afwenden zal mijn enige ontkenning zijn! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens uitsluitend iemand zijn die ja zegt! 

Kuddedieren zijn lelijke mensen die alles lelijk maken wat mooi is, de blik van de kudde afwenden is de enige en beste antwoord om je niet te mengen in de strijd om het bestaan van de betekenis. 

Nederland als term is imaginair, we voeren een strijd om het bestaan van de betekenis wat deze God Nederland te behoort te betekenen. Wat heeft Friedrich Nietzsche ons te vertellen over deze nieuwe afgod, de nationale staat, de kudde van ten-tonele-brengers en het gepeupel?

Over de nieuwe afgod
‘Ergens zijn er nog volkeren en kudden, maar niet bij ons, broeders: bij ons zijn er staten.

Staat? Wat is dat? Welaan! Zet uw oren open, want nu vertel ik u over de dood van de volkeren.
Staat, zo heet het koudste monster ter wereld. Koud liegt het ook; en uit zijn mond kruipt deze leugen: ‘Ik, de staat, ben het volk.” 
Dat is een leugen! Scheppenden waren het die de volkeren schiepen en een geloof en een liefde over hen uitspreidden: zo dienden zij het leven.
Vernietigers zijn het die strikken zetten voor velen en daar de naam ‘staat’ aan geven: zij spreiden een zwaard en honderd begeertes over hen uit.
Waar nog volk is, daar begrijpt het de staat niet en het haat de staat als het boze oog en als een zonde tegen zeden en rechten.
Dit teken geef ik u: elk volk spreekt zijn eigen taal van goed en kwaad: het buurvolk verstaat die niet. Dat heeft zijn eigen taal voor zeden en rechten bedacht.
Maar de staat liegt in alle talen van goed en kwaad; en wat hij ook zegt, hij liegt – en wat hij ook bezit, hij heeft het gestolen. Vals is alles aan de staat; met gestolen tanden bijt hij, de valse hond. Vals zijn zelfs zijn ingewanden.
Spraakverwarring over goed en kwaad: dat teken geef ik u als teken van de staat. Voorwaar, op de wil tot de dood wijst dat teken! Voorwaar, het zwaait naar de predikers van de dood! Veel te velen worden er geboren: voor de overbodigen is de staat uitgevonden!
Zie toch hoe hij hen naar zich toe lokt. die veel-te-velen! Hoe hij hen verslindt en op hen kauwt en herkauwt! “Er is niets groters op aarde dan ik: ik ben de regelende vinger van God” – zo brult het monster. En niet alleen langorigen en kortorigen vallen op hun knieën!
Ach, ook u, grote zielen, fluistert hij zijn duistere leugens in! Ach, hij doorgronde de rijke harten, die zichzelf graag uitdelen!
Ja, ook u doorgrondt hij, overwinnaars van de oude God! U bent moe geworden in de strijd, en nu dient uw moeheid zelfs de nieuwe afgod!
Helden en achtenswaardig wil hij om zich heen opstellen, die nieuwe afgod! Graag koestert hij zich in de zonneschijn van een goed geweten, – het koude monster!
Alles wil hij u geven als u hem aanbidt, die nieuwe afgod: zo koopt hij de glans van uw deugd en de blik van uw trotse ogen. Met u als lokaas wil hij de veel-te-velen lokken! Ja, een duivels kunststuk is daar uitgevonden, een paard des doods, rinkelend in de opsmuk van goddelijke eer!
Ja, een sterven voor velen is daar uitgevonden, dat zich zelf als leven roemt: voorwaar, een grote dienst voor alle predikers van de dood!
Staat noem ik dat waar iedereen gifdrinker is, goeden en kwaden. Waar iedereen zichzelf verliest, goeden en kwaden. Waar de langzame zelfmoord van iedereen – “het leven” heet.
Zie toch die overbodigen! Zij stelen de uitvindingen van de uitvinders en de schatten van de wijzen: beschaving noemen zij hun diefstal – en alles wordt ziekte en ongemak! Zie toch die overbodigen! Ziek zijn ze altijd, ze braken hun gal uit en noemen het krant. Ze verslinden elkaar en kunnen elkaar niet eens verteren. Zie toch die overbodigen! Rijkdommen verwerven zij en daar worden zij armer van. Macht willen zij om te beginnen het breekijzer van de macht, veel geld – die onbekwamen! 
Zie ze klimmen, die rappe apen! Ze klimmen over elkaar heen en trekken elkaar zo de modder  en de diepte in.
Naar de troon willen ze allemaal: dat is hun waanzin – alsof het geluk op de troon zit! Vaak zit de modder op de troon – en vaak zit ook de troon op de modder.
Waanzinnigen zijn ze allemaal in mijn ogen, en klimmende apen en oververhitten. Hij stinkt, hun afgod, dat koude monster ze stinken allemaal, die afgodsdienaren.
Broeders, wilt u soms stikken in de walm van hun muilen en hun begeertes! Sla liever de ruiten stuk en spring naar buiten! Ga de stank toch uit de weg! Verlaat de walm van die mensenoffers!
Ook nu nog is de aarde beschikbaar voor grote zielen. Veel zetels zijn er nog leeg voor eenzamen en tweezamen, om wie de geur van stille zeeën waait. Een vrij leven is er nog beschikbaar voor grote zielen. Voorwaar hoe minder je bezit, des te minder wordt je bezeten: geprezen zij de kleine armoede! Daar waar de staat ophoudt, pas daar begint de mens die niet overbodig is: daar begint het lied van het noodzakelijke, de unieke onvervangbare melodie. Daar waar de staat ophoudt – kijk toch, broeders, ziet u hem niet, de regenboog en de bruggen van de Übermensch?
Zo sprak Zarathoestra.
(Friedrich Nietzsche, Also Sprach Zarathoestra, deel 1 – Over de nieuwe afgod)

Een ding moet gezegd worden; sinds 2001 zit ik in conflict met de imaginaire orde Nederlandse staat, wat Friedrich Nietzsche hier schrijft heb ik aan den lijve kunnen ervaren, elk woord, elke gedachte is perfect op zijn plaats. Goed, we komen hier wat dichter bij de klimaatcrisis binnen het bereikt van het gedachtegoed van Friedrich Nietzsche.