Over taal in wetenschap, media en filosofie

Friedrich Nietzsche en de wraakzuchtige volgelingen

Also sprach Zarathoestra, een boek dat veel filosofen niet in de smaak valt, je moet er ervan houden. Voor Friedrich Nietzsche was het onmiskenbaar zijn hoofdwerk waarin hij zijn leer en denken uiteenzet. Friedrich Nietzsche past de formule toe die goed werkt bij het geven van voordrachten; zeg wat je zeggen wilt, zeg het, zeggen wat je gezegd hebt. Also sprach Zarathoestra is de plek waar hij het zegt. Veel filosofen vinden vooral inspiratie bij de Friedrich Nietzsche van voor Also sprach Zarathoerstra, in veel opzichte echter is Also sprach Zarathoestra de systematische uiteenzetting van de voorgaande ideeën, in zijn eigen wijze van spreken, de boom die al zijn ideeën als vruchten heeft laten rijpen en in dit boek tot rijpe vruchten zijn geworden. De Friedrich Nietzsche na Also sprach Zarathoestra wordt vooral beschreven als de aftakelende Friedrich Nietzsche, de Friedrich Nietzsche dat door zijn ziekte langzaam wordt verteerd en in een toestand van regressie is. Hoewel naar redelijkheid hier aanwijzingen voor zijn, zie ik dit toch anders; Friedrich Nietzsche dat door zijn hele leven heen zijn ster naar grote hoogte heeft willen stuwen is in de nadagen van zijn leven, wat wil zeggen dat de fysieke krachten door ouderdom aan kracht inboet. Wat hij in deze fase van zijn leven probeert te doen is met die laatste krachten zijn ster nog een beetje verder omhoog willen stuwen. Goed leven is goed dood gaan, wie goed dood gaat leeft goed, deze omdraaiing van de gedachte is een omdraaiing van de waarden, is een omdraaiing van zien, van kijken, de wraakzuchtige volgelingen verstaan de kunst van het kijken niet. Om het dier te ervaren moeten er eerst geen woorden meer zijn, elke betekenis moet eerst uit het lichaam zijn gebannen, uitdoven van betekenis 1) . Inkijken dient hier niet verward te worden met introspectie, inkijken is achter de woorden gaan staan met die aantekening dat hier sprake is van een grammaticale misleiding, in zijn hoedanigheid sta je niet achter de woorden, maar reis je terug naar de oorsprong ervan; Genealogie van de moraal. Hoe spreekt nu Friedrich Nietzsche over de wraakzuchtige volgeling?

Over het voorbijgaan
Zo, langzaam wandelend onder veel volken en door allerlei steden, ging Zarathoestra via omwegen terug naar zijn gebergte en zijn grot. En zie, onverwachts kwam hij bij de stadsmuur van de grote stad: maar hier stormde een schuimbekkende zot met uitgestrekte handen op hem af en hij versperde hem de weg. Dit was echter dezelfde zot die door het volk ‘de aap van Zarathoestra’ werd genoemd: want hij had iets van Zarathoestra’s manier van spreken afgekeken en leende ook graag uit de schat van diens wijsheid. Maar de zot sprak tot Zarathoestra: ‘O Zarathoestra, hier is de grote stad: hier hebt u niets te zoeken en alles te verliezen. Waarom wilt u in modder waden? Heb toch medelijden met uw voeten! Spuw liever op de stadspoort en – keer om!
Hier is de hel voor kluizenaars-gedachten: hier worden grote gedachten levend gekookt en fijngestoofd. Hier teren alle grote gevoelens weg: hier mogen alleen maar kraakdorre gevoelentjes kraken!
Ruikt u al niet de slachthuizen en de gaarkeukens van de geest? Dampt deze stad niet van de walm van geslachte geest? Ziet u de zielen niet hangen als slappe vuile vodden? – En van die vodden maken ze ook nog kranten!
Hoort u niet hoe de geest hier een woordenspel is geworden? Weerzinwekkend woorden-spoelsel braakt hij uit! – En van dat woorden-spoelsel maken ze ook nog kranten.
Ze jagen elkaar op zonder te weten, waarheen? Ze hitsen elkaar op zonder te weten, waarom? Ze rinkelen met hun koper, ze tintelen met hun goud.

Ze zijn koud en zoeken warmte bij gestookt water; ze zijn verhit en zoeken koelte bij bevroren geesten; ze zijn allemaal ziek en verslaafd aan openbare meningen.
Alle lusten en ondeugden zijn hier thuis; maar er zijn hier ook deugdzamen, er is veel dienstig dienende deugd: – veel dienstige deugd met schrijfvingers en hard zit- en wachtvlees, gezegend met kleine borststerren en opgevulde dochters zonder billen.
Er is ook veel vroomheid en veel gelovig speekselsmakken en zoete-broodjes-bakken voor de ogen van de Heer de Heerscharen.
“Van boven af” druppelt immers de ster en het genadige speeksel; naar boven toe hunkert elke sterloze boezem.
De maan heeft haar hof, en het hof heeft zijn maankinderen; maar het bedel-volk en alle dienstige bedel-deugden aanbidden alles wat van het hof komt.
“Ik dien u, u dient, wij dienen” – Zo aanbidt alle dienstige deugd de vorst: in de hoop dat de verdiende ster eindelijk op de magere boezem wordt gespeld!
Maar de maan draait nog steeds om al het aardse – : maar dat is het goud van de kooplieden.
De heer der Heerscharen is geen heer van de goudstaven; de vorst wikt, maar de koopman – beschikt.
Bij alles wat helder en sterk en goed in u is, o Zarathoestra, spuw op deze koopliedenstad en keer om!
Hier stroomt al het bloed rottend en fluimend en schuimend door de aderen: spuw op de grote stad, die de grote schuimbelt is, waar al het schuim samenschuimt!
Spuw op de stad van de ingedeukte zielen en de smalle borsten, de spitse ogen, de kleverige vingers–op de stad van de opdringerigen, de schaamtelozen, de schrijf- en schreeuwlelijken, de overhitte eerzuchtigen: — waar alle etteraars en verketteraars, zinnelijken en onbeminnelijken, verotten en bespotten samenrotten:- Spuw op de grote stad en keer om!” —

Maar hier onderbrak Zarathoestra de schuimbekkende zot en hij legde hem het zwijgen op.
‘Hou toch op!’ riep Zarathoestra, ‘ik walg al zo lang van je praatjes en je manier van doen!’

Waarom heb je zo lang bij het moeras gewoond dat je zelf wel een kikker en een pad moest worden?
Stroomt er geen rottend schuimend moerasbloed door je eigen aderen dat je zo hebt leren kwaken en vloeken?
Waarom trok je niet het bos in? Of ploegde je de aarde om? Is de zee niet vol met groene eilanden?
Ik veracht jouw verachten; en als je mij waarschuwt, – waarom heb je jezelf niet gewaarschuwd?
Alleen vanuit de liefde moet mijn verachten en mijn waarschuwende vogel opvliegen, niet vanuit het moeras! –
Ze noemen jou mijn aap, o schuimbekkende zot: maar ik noem je mijn knor-varken, – met je geknor bederf je zelfs mijn lof der zotheid.
Wat was het eigenlijk dat jou aan het knorren heeft gebracht? Omdat niemand je genoeg vleide: – dáárom ben je bij dit vuilnis gaan zitten, zodat je een reden had om veel te knorren, — zodat je een reden had voor veel wraak! Wraak namelijk, o ijdele zot, is al je geschuimbek, ik doorzie je wel!
Maar die zotten-woorden van jou schaden mij, zelfs daar waar ze terecht zijn! En ook als de woorden van Zarathoestra honderdmaal terecht waren, dan nog zou jij mijn woorden  – onrecht doen!’
Zo sprak Zarathoestra. En hij keer naar de grote stad, zuchtte en zweeg lange tijd. Ten slotte sprak hij: ‘ik walg ook van deze grote stad en niet alleen van deze zot. Ze zijn geen van beiden te verbeteren of te verslechteren.
Wee deze grote stad! – En ik zou willen dat ik de vuurzuil al zag waarin ze wordt verbrand!
Want zulke vuurzuilen moeten voorafgaan aan de grote middag. Maar dat heeft zijn eigen tijd en zijn eigen lot.
Dit leer ik ten afscheid, o zot: waar je niet meer kunt liefhebben, daar moet je – voorbijgaan!’- 

Zo sprak Zarathoestra. En hij ging de zot en de grote stad voorbij. (Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathoestra, deel 3, over het voorbijgaan)

In De vrolijke wetenschap zegt Friedrich Nietzsche het volgende:

Bij het nieuwe jaar. – Nog leef ik nog, nog denk ik: ik moet nog leven, want ik moet nog denken. Sum, ergo, cogito: cogito, ergo sum. Vandaag staat iedereen zichzelf toe zijn wens en liefste gedachten uit te spreken: nu, dan wil ook zeggen wat ik mij vandaag van mijzelf wenste en welke gedachte voor mij basis, borg en heerlijkheid van heel mijn verdere leven moet zijn! Ik wil steeds meer leren, het noodzakelijke aan de dingen als het schone beschouwen: – zo zal ik een van diegenen zijn die de dingen schoonheid verlenen. Amor fati: dat zal van nu af aan mijn liefde zijn! Ik wil geen oorlog voeren tegen al wat lelijk is. Ik wil niet aanklagen, ik wil niet de aanklagers aanklagen. De blik afwenden zal mijn enige ontkenning zijn! En, alles bij elkaar en in het groot: ooit wil ik nog eens iemand die ja zegt! (Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, deel 4, Bij het nieuwe jaar)

Kuddedieren zijn lelijke mensen, mensen die verkleint zijn. Zelfs al heb je een groot referentiekader, gedreven door het kudde-instinct blijft het kijken naar de wereld klein. De schuimbekkende zot gebruikt de inzichten van Zarathoestra als middel om zich een plek te verwerven in de kudde, zijn pijl van verlangen is niet het individu maar herder te worden van de kudde. Hij bederft zelfs de lof der zotheid, een verwijzing naar het werk van Erasmus. Volgens Friedrich Nietzsche moeten we lachen om het schouwspel van de kudde, het gepeupel, de ten-tonele-brengers, het plebejische, het lawaai van de markt, het lawaai van de grote stad. Lachen moeten we om de grote stad, het schouwspel van de lof der zotheid, maar de schuimbekkende zot bederft hem zelfs het lachen bij het zien van het schouwspel van de lof der zotheid. De schuimbekkende zot staat niet buiten de kudde, zijn woorden vinden uitdrukking binnen de kudde, de schuimbekkende zot is nog kuddedier. De verwijzing van de schuimbekkende zot ‘daar maken ze nog kranten van ook’ is een ervaring dat ik twee weken geleden zelf ook had. Na jaren geen televisie gekeken te hebben keek ik twee dagen naar de commerciële zenders van RTL. Nieuws, films, programma’s. Bij het kijken ervan realiseer je je in welke verkleinde wereld mensen leven; lelijk, een gevoel van walging valt haast niet te onderdrukken. Wat denk ik heel belangrijk is in het denken van Friedrich Nietzsche is de ascetische ervaring van individualiseren. Niet erg verwonderlijk ook dat dit niet onderkend is door de academici. Evenmin is onderkend dat de schuimbekkende zot precies het volk is dat Friedrich Nietzsche populariseert. Toegegeven als ik dit leven niet had gehad, dan zou ik zelf evenmin tot deze ervaring gekomen zijn. Twintig jaar in conflict met de beulen van de staat, justitie en reclassering; twintig jaar lang sociale uitsluiting, twintig jaar ontnemen van levensvoorwaarden, twintig jaar achterklap, samenspannen, list en bedrog, manipulatie, psychologische oorlogsvoering, tartufferie, veinzen was er voor mij geen andere weg dan de ascetische weg van het individualiseren te gaan volgen. Dat dit een pijnlijke weg is heb ik kunnen ervaren omdat ik twintig jaar lang mij heb laten leiden door het kudde-instinct, sociale uitsluiting als disciplineringsstraf met als doel mij dwingen tot conformeren. De enige manier om het straffen te stoppen is de ander de stok uit handen nemen, dat was in dit geval vrienden te worden met de eenzaamheid. Friedrich Nietzsche was zich bewust van twee dingen. Enerzijds hebben we als dieren de neiging om slechte ervaringen een tweede keer te vermijden (voorbij goed en kwaad), anderzijds als een gedachte eenmaal is veranderd, duurt het nog een lange tijd eer het gevoel mee verandert. Individualisatie is een pijnlijk proces van onthechten. Ook als deze bewustwording eenmaal daar is, dan heeft het gevoel nog een lange tijd nodig eer deze mee verandert.  

De kuddedieren onder de mensen zijn lelijke dieren. Het lelijk van Friedrich Nietzsche is ook de zienswijze hoe hij tegen de moraliteit aankijkt. Friedrich Nietzsche heeft een afkeer van de ethiek, moreel is Friedrich Nietzsche een estheticus. Inderdaad, de ethiek is de moraal van het kuddedier dat universele beginselen bedenkt over hoe alle mensen dienen te handelen, ethiek is de moraal van het kuddedier, dieren die lelijk denken, slechte kunstenaars zijn, schilderen lelijke schilderijen van het leven. Kuddedieren zijn lelijke mensen omdat ze voortdurend elkaar onderdrukken, elkaar de vrijheid ontnemen, elkaar voor eigen nut gebruiken. Een voorbeeld daarvan is bijvoorbeeld de liefde waarvan Friedrich Nietzsche zeer terecht opmerkt dat hier wel degelijk een (instinctmatig) egoïsme aan ten grondslag ligt; het bezitten van de ander. Je wordt wat je bent, persoonlijk denk ik dat je een bepaald proces moet hebben bereikt wil je de weg van Friedrich Nietzsche kunnen volgen; Beide, zowel de schuimbekkende zot als de grote stad zijn niet te verbeteren of te verslechteren. Ook hier komt Friedrich Nietzsche in de Vrolijke wetenschap er op terug.

Wil en gewilligheid . Men bracht een jongeling voor een wijs man en zei: ‘Ziehier iemand, die door de vrouwen bedorven wordt!’ De wijze man schudde zijn hoofd en glimlachte. ‘De mannen zijn het,’ riep hij, ‘die de vrouwen bederven: alles wat de vrouwen verkeerd doen, moet aan de mannen beboet en verbeterd worden, – want de man vormt zich een beeld van de vrouw, en de vrouw vormt zich naar dit beeld.’ – ‘Je bent te mild jegens de vrouwen’, zei een van de omstanders, ‘je kent ze niet!’ De wijze man antwoordde: ‘Het wezen van de man is wil, het wezen van de man is gewilligheid, – zo luidt de wet van de geslachten, en waarlijk! een harde wet voor de vrouw! Alle mensen zijn onschuldig aan hun bestaan, de vrouwen zijn echter onschuldig in het kwadraat: wie zou genoeg balsem en mildheid voor hen kunnen hebben!’ – ‘Wat balsem!’ Wat mildheid!’ riep een ander uit de menigte: ‘men moet de vrouwen beter opvoeden!’ – ‘Men moet de mannen beter opvoeden,’ zei de wijze man en gaf de jongeling een teken dat hij hem moest volgen. – De jongeling echter volgde hem niet. (Friedrich Nietzsche, De Vrolijke wetenschap, paragraaf 68)

Ik dat wat Friedrich Nietzsche hier beschreven heeft exemplarisch is over hoe hij macht situeert, hoe de wereld zich vormt door macht.

  1.  Wat we voortdurend doen is voortdurend uitbreiden van betekenis, toevoegen van betekenis, vermeerderen van betekenis. Als Friedrich Nietzsche spreekt over dat materie een illusie is, dan zegt hij niet dat materie op zich een illusie is, maar de betekenis die eraan ten grondslag ligt. De eigenlijke oorsprong van materie ligt in het ostentatieve van het woord materie, uiteindelijk kunnen we geen betekenis aan het woord materie geven, we kunnen het alleen aanwijzen, maar het woord zelf is ondefinieerbaar. De presocraat Anixamander spreekt over het apeiron; oneindige, eeuwige onbepaalde massa, de oersubstantie die niet direct waarneembaar is. Anaxagoras, een leerling van Anixamander spreekt over de oersubstantie als oerchaos. Het is deze oerchaos waar Friedrich Nietzsche over spreekt als hij spreekt over de laatste mens dat geen chaos meer heeft, het apollinische heeft voltooid, de bacchantische chaos, de bacchantische natuur, de bacchantische roes, de bacchanten waren vrouwen, de vrouw dat de natuur representeert, dat wil zeggen de natuur niet meer in zichzelf ervaart. Objectiviteit is een teken, een woord, waaronder betekenis hangt. Deze betekenis richt zich naar het instinct, vormt het instinct en gevoel. Objectiviteit betekent een afwezigheid van het andere, de ander is absoluut ander met een inbegrip van een gevoelloos-zijn voor de ander, het zich niet kunnen inleven in de ander. De ander wordt tot object van het eigen denken gemaakt, in termen van Levinas getotaliseerd, zo gaan in deze tijd gedragsdeskundigen met hun patiënten om, zo gaan wij met onze dieren om, zo gaan wij met onze medemens om. De hele westerse filosofie is een haat jegens het andere!  Het onbepaalde in deze is ook in taal zelf onbepaald, wat wil zeggen in de terminologie van Ludwig Wittgenstein; onzegbaar. In tegenstelling tot Wittgenstein ben ik van mening dat het wel zegbaar is, maar niet betekenbaar, waarnaar je verwijst is wel te voorzien van een teken, het teken zelf is niet definieerbaar. Het logische gevolg van deze wijze van denken is dat bijvoorbeeld de kwantummechanica de verkeerde richting op denkt, voortdurend vermeerderen we betekenis, dit terwijl er juist sprake zou moeten zijn van het verminderen van betekenis. De natuurkundige dat meent dat materie definieerbaar is, gaat als het ware achter de oerknal staan, echter taal en wereld hebben dezelfde oorsprong; niets! (de idealist is een rariteitenkabinet vol goddelijke blikken van achterwerelden, zoals objectiviteit) Dat is inderdaad het woord dat onzegbaar is, een woord dat geen referent heeft. De Babyloniërs hadden inderdaad geen teken voor niets en tegenwoordig kun je een boekenkast vol betekenis over het woord niets vinden! Met het opheffen van de ware wereld, het Friedrich Nietzsche eveneens de schijnwereld op, wat overblijft is wereld. Wat Friedrich Nietzsche probeert te doen is het dualisme in de taal opheffen. Dat Friedrich Nietzsche daartoe niet helemaal goed uit de verf komt, komt omdat de taal dat ons is overgeleverd fundamenteel zelf dualistisch is, het bewijs daarvan wordt geleverd doordat de polen van het dualisme in de taal steeds verder uit elkaar zijn komen te staan waarbij de polen van de dualiteit door de Verlichting maximaal uit elkaar zijn gezet; de copernicaanse wending! Laat de vermannelijkte spreekwijze zichtbaar in het spreken van de islam op eenzelfde wijze zijn ontwikkeld! Zoals de vrouw via de zijdeur de moskee ingaat en de man via de voordeur, gaat de natuur via de zijdeur de moskee in en gaat de mens via de voordeur de moskee in! En is de belofte van de bijbel dat de mens over de natuur zal heersen ingelost? Ligt het ressentiment niet als eerste bij de man, dat zijn belofte om over de natuur te heersen niet ingelost ziet? Heeft Hegels fenomogie van de absolute geest zich niet voldoende bewezen als de blinde haat tegenover de natuur? Friedrich heeft niets tegen haat, immers de haat is de levensenergie dat wil vernietigen, wil scheppen, het doel wat de haat nastreeft, daar ligt het probleem.