Over taal in wetenschap, media en filosofie

Friedrich Nietzsche en de universele mens

Instinct, overtuigingen en verlangens zijn de dirigenten van onze woorden en tekens. Zo wil het verlangen van de filosoof dat Friedrich Nietzsche een filosoof is, een taalvirtuoos, een filosoof met de hamer dat als een kunstenaar de waarheid als een beeld uit de rotsblok beitelt. Kan het anders dan dat voor deze veel te velen, de overtolligen, Friedrich Nietzsche toch vooral de waarheid over de ander is? De ander is het kuddedier, de ander is het ressentiment, de ander is de onwetende van het eigen ik, de ander , de ander, welk een macht moet Friedrich Nietzsche, de experts, de deskundigen van Friedrich Nietzsche gegeven hebben? Het verlangen van Friedrich Nietzsche wil zijn eigen kinderen scheppen, en wat schept hij? Potsenmakers, de ten-tonele-brengers, gepeupel, middelmatigheid, ressentiment achter ressentiment. Er is een boek in de handel over Friedrich Nietzsche ‘ik ben dynamiet‘, het is zonder meer waar dat Friedrich Nietzsche dynamiet is, maar dan wel een verkeerde handen! Wat de filosoof vooral niet wil zien is de wetenschapper Friedrich Nietzsche. Gezegd moet worden dat inderdaad de wetenschappelijke methodiek niet volgde; geen empirisch onderzoek (anders dan zelfonderzoek, geen experimenten, geen bronverwijzingen, geen no nonsense taal. Hij heeft ongeveer alles nagelaten wat we verwachten van een hedendaags wetenschapper. Toch denk ik dat Friedrich Nietzsche de beste evolutiepsycholoog is dat de wereld tot nu toe gekend heeft.

En hoe ver zijn we nog verwijderd van het inzicht dat er voor een wetenschappelijk denken ook nog de artistieke vermogens en de praktische levenswijsheid bijkomen, dat er zich een hoger organisch systeem vormt, waarmee vergeleken de geleerde, de arts, de kunstenaar en de wetgever, zoals wij tegenwoordig kennen, wel gebrekkige antiquiteiten moesten lijken! (Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, derde boek, over de leer van de gifstoffen)’

Friedrich Nietzsche gaat tegen de stroom in, gaat in tegen de stroom van het denken, de evolutie van het denken. Daar waar de islam, het christendom, maar vooral de grootst mogelijk dogmatisme wat zich ooit in het denken heeft voorgedaan; het Verlichtingsdenken. Laten we vooral indachtig zijn dat het Verlichtingsdenken ons het humanisme gebracht heeft maar ook de vernietigingskampen zoals Auschwitz en de grootste genocide aller tijden, het cultuurmarxisme  en neoliberalisme van vandaag.

Laten we een gedachte experiment doen. Nederland telt twaalf provinciën. Laten we de oertijden nabootsen door om al deze provincies een hek te zetten waardoor we er voor zorgen dat er geen onderling contact meer is tussen de volkeren in deze provincies. Vervolgens wachten we honderd jaar. Meer dan waarschijnlijk is dat na honderd jaar je te maken krijgt met twaalf verschillende culturen, twaalf verschillende gebruiken, twaalf verschillende dialecten, twaalf verschillende kledingdrachten, twaalf verschillende technologieën, twaalf verschillende vormen van vermaak en kunst. Begint hier de voorkeur van Friedrich Nietzsche voor de Griekse stadstaat u te dagen?

Het mooie nu van dit gedachte experiment is dat je deze niet hoeft te bewijzen. Het is namelijk al bewezen! Daarvoor hoeven we alleen maar naar de geschiedenis te kijken waarbij aangetekend dient te worden dat er wel sprake was van onderling contact, alleen was er wel sprake van enige vorm van isolement.

Het socialistisch gepeupel wil de ‘universele mens’, iedereen moet gelijk zijn, geen verschillen meer en terecht merkt Friedrich Nietzsche op dat er dan ook niets meer te waarderen valt. Nietzsche wil in lijn met onze aandriften het tegenovergestelde, grote verschillen, grote ongelijkheid, iedereen dient anders te zijn. Iedereen dient individu te worden. Het eindproduct van  deze übermensch is dat het individu de wetenschappelijk algemeen begrip ‘soort’ mens niet meer hoeft te dragen. Friedrich Nietzsche heeft gelijk op het moment dat je door het algemeen begrip heen kunt kijken en zijn monisme kan zien. De socialistische wetenschapper heeft het er maar moeilijk mee, vanuit wetenschappelijk oogpunt is de mens het enige diersoort wat niet onderverdeeld is in rassen. Als je de kruk op de fles zet door te beweren dat de mens niet langer geïsoleerd leeft, ja, dan wel ja. Een dergelijke verklaring lijkt mij erg onhoudbaar, aangezien er een tijd is geweest dat de mens in vroeger tijd wel geïsoleerd heeft geleefd en dat de verschillen daar nu nog van terug te zien zijn. Als je het gedachtegoed van Friedrich Nietzsche radicaal doordenkt, kom je met een oplossing dat wetenschappelijk onderbouwd is en voor de gutmensch zeer goed te accepteren is. De mens namelijk als soort bestaat helemaal niet, althans, na de laatste mens niet meer, eerst moeten wij nog ondergaan. Het kuddedier dient individu te worden. Als je daarbij kunt aantonen dat in het verloop van de evolutie de verschillen binnen de soort toenemen, dan ben je helemaal spekkoper, dan ben je de Einstein onder de evolutietheorie en heb je het paradigma Darwin middels een revolutie in een nieuw paradigma geplaatst. Feit is namelijk dat het onderscheid in soorten alleen betrekking heeft op de voortplanting, al het andere doet niet ter zaken. Het onderscheid tussen soorten zou ook gelegd moeten worden daar waar twee organismen zich niet kunnen voortplanten. Een paard en een ezel zijn nog steeds van dezelfde soort, daarmee is het probleem van hybridisatie opgelost. Het verlangen van het idealisme, de Verlichtingsdenken, de universele mens, is om één soort mens te zijn, in het geval van de gelijkheidsdenkers, om een ras mens te zijn, dat wil zeggen om kuddedier te zijn. In omgekeerde richting wil Friedrich Nietzsche dat we individu worden. Individualisatie is de pijnlijke ascetisch ervaring van onthechting daar waar de ontredderde in crisis verkerende Verlichtingsdenkende socialist zoekt naar de verbinding. De vrije verbinding kan alleen ontstaan door de drie gedaantewisselingen, waarin de laatste gedaantewisseling is om weer kind te worden. Waarom een kind? 
Nou, omdat tegen de tijd dat je volwassen bent je door socialisatie, je ouders en samenleving je van al je scheppende vermogens en vrijheid bent berooft en je gevormd bent tot kuddedier. Tegen de tijd dat je volwassen bent hangt er een bordje ‘gij zult’ boven je bed in plaats van ‘ik wil’! De hedendaagse mens in haar illusoire vrijheid wordt gedreven door kudde instinct. Het in ontreddering verkerende politieke midden, de D66, vormt daar een diep triest voorbeeld van.

Over de drie gedaantewisselingen
‘Drie gedaantewisselingen van de geest noem ik u: hoe de geest een kameel wordt, en de kameel een leeuw, en de leeuw ten slotte een kind.’
Veel zwaars is er voor de geest, de sterke draagkrachtige geest die vol eerbied is: naar het zwaarste verlangt zijn kracht.
“Wat is zwaar? ” vraagt de draagkrachtige geest, en dan knielt hij neer als een kameel, om zich een flinke vracht te laten opladen.
“Wat is het zwaarste, o helden?” vraagt de draagkrachtige geest, “zodat ik dat op me kan nemen en kan genieten van mijn kracht.
Is het niet: onszelf vernederen om onze hoogmoed pijn te doen? Onze dwaasheden laten schitteren om met onze wijsheid te spotten?
Of is het: onze zaak vaarwel zeggen wanneer die haar overwinning viert? Hoge bergen beklimmen om de verzoeker te verzoeken?.
Of is het: ons voeden met de eikels en het gras van de kennis, en ter wille van de waarheid honger lijden aan onze ziel?
Of is het: ziek zijn, en de troosters wegsturen en vriendschap sluiten met de doven, die nooit horen wat wij willen?
Of is het: in vuil water stappen wanneer dat het water van de waarheid is, en koude kikkers en hete padden niet afwijzen?
Of is het: liefhebben wie ons verachten en het spook de hand reiken wanneer deze ons angst wil aanjagen?
Al dit zwaarste neemt de draagkrachtige geest op zich: en als een kameel die met zijn vracht de woestijn in snelt, zo snelt de geest zijn woestijn in. 
Maar in de eenzaamste woestijn vindt de tweede gedaantewisseling plaats: hier wordt de geest een leeuw, vrijheid wil hij buitmaken en heer wil hij zijn in zijn eigen woestijn.
Zijn laatste heer zoekt hij hier: ten strijde wil hij trekken tegen hem en zijn laatste god, om de zegen wil hij vechten met de grote draak.
Wat is die grote draak die de geest niet langer heer en god wenst te noemen? “Gij zult” heet de grote draak. Maar de geest van de leeuw zegt “ik wil”.
“Gij zult” ligt langs zijn pad, goudfonkelend, een schubdier, en op elke schub glanst een gouden “gij zult”.
Duizendjarige waarden glanzen op al die schubben, en die machtige draak ter wereld spreekt: “Alle waarden van de dingen – die glanst op mij.
Alle waarden is reeds geschapen, en alle waarden – dat ben ik. Voorwaar, er mag geen ‘ik wil’ meer zijn! Zo spreekt de draak.
Broeders, waarom is de leeuw in de geest nodig? Waarom is het lastdier niet genoeg, dat zich schikt en eerbiedig is?
Nieuwe waarden scheppen – dat kan ook de leeuw nog niet: maar vrijheid scheppen om opnieuw te scheppen – dat kan de macht van de leeuw.
Vrijheid scheppen en een heilig nee uitspreken zelfs tegen de plicht: daarvoor, broeders, is de leeuw nodig.
Het recht op nieuwe waarden nemen – dat is het vreeswekkende nemen voor een draagkrachtige en eerbiedige geest.
Voorwaar, roven is dat voor hem en iets wat bij een roofdier hoort.
Eens had hij het “gij zult” lief als het heiligste wat hij had: nu moet hij zelfs in het heiligste waan en willekeur vinden, zodat hij vrijheid kan ontroven aan zijn liefde: voor de roof is die leeuw nodig.
Maar zeg eens, broeders, wat kan een kind nog dat ook de leeuw niet kon? Waarom moet de rovende leeuw ook nog een kind worden?
Onschuld is het kind, en vergeten, een nieuw begin, een vanzelf draaiend wiel, een eerste beweging, een heilig-ja zeggen.
Ja, voor het spel van het scheppen, broeders, is een heilig ja zeggen nodig: zijn eigen wil wil de geest nu, zijn eigen wereld verwerft de wereldloze.
Drie gedaantewisselingen van de geest noemde ik u: hoe de geest een kameel werd en de kameel een leeuw en ten slotte een kind’ —
Zo sprak Zarathoestra. En hij verbleef toen in de stad genaamd De Bonte Koe.
(Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathoestra, deel 1, Over de drie gedaantewisselingen)

Friedrich Nietzsche wijst het hele hedendaagse spectrum af van links tot rechts. Kuddevolk, middelmatig gepeupel, ten-tonele-brengers, 150 kamerleden en het kabinet van het lage, het kleine, kleinburgerlijke, tartufferie, achterbakse, regeringsvolk dat je in je nabijheid wenst. Ik moet zeggen dat ik inderdaad nooit zonder gevoel van walging naar tweede kamer debatten kan kijken. Maar waar herken je het kuddevolk zo goed aan? Aan de perceptie op geschiedenis! De perceptie al zouden we historische wezens zijn dat collectieve verantwoordelijkheid of schuld draagt of waar we trots op zouden moeten zijn. Van links tot rechts tappen uit hetzelfde vaatje! We zouden geen cultuurdragers moeten zijn, maar cultuurmakers kunnen zijn! 

Deze tekst laat ook zien wat het fundamentele probleem is van een wetenschappelijk monist dat in een dualistische taal geworteld is. Hoe zou Friedrich Nietzsche op een andere wijze uitdrukking kunnen geven aan het woord ‘geest’?

(Friedrich Nietzsches probleem: veelkoppig monster)