Over taal in wetenschap, media en filosofie

Metafoor van de bokser

Een bokser staat in de ring en wordt tegen het canvas geslagen. De scheidsrechter telt af tot tien, de tijd dat de bokser de kans krijgt om weer op te staan en het gevecht te hervatten. Hij duizelt een paar seconde op de grond en krabbelt weer op. In het moment van liggen en weer opstaan kost het de bokser een extra krachtsinspanning omdat de krachtsinspanning van het opstaan de weerstand, de pijn, het lijden met zich meebrengt van de klap dat hem tegen het canvas heeft doen laten vallen. In het moment van liggen en opstaan waarin hij wordt getergd door het lijden van het verleden en nog een toekomst te gaan heeft, waaraan zou hij dan moeten denken? Zou juist in dat moment niet als eerste de gedachte in hem op moeten komen hoe hij zijn tegenstander een volgende keer zou kunnen ontwijken? Is niet in dat moment elke gedachte gericht op die pijn en lijden een bijkomend lijden van de gedachte zelf, een vermeerdering van het lijden, dit terwijl het levensbehoud om iets anders vraagt?