Over taal in wetenschap, media en filosofie

Flinstones effect in de paleontologie

Het verhaal Sapiens van Yuval Noah Harari leest als een geromantiseerd verhaal waarbij een 100.000 jaar geleden een pratende aap de wereld moet hebben veroverd. De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat het ‘beeld’ dat ik had over taalontwikkeling daarvan niet veel verschilde, of thans nog verschilt. Bij de vraag naar het ontstaan van taal, stel je impliciet de vraag naar een ‘missing link’, een punt waarin de situatie is bereikt waarin taal tot leven is gekomen. Van die overtuiging heb ik mijzelf nog niet kunnen afbrengen, ik denk nog steeds dat de definitie van taal gelegen dient te zijn in het vermogen om onze fantasie in de tekens te kunnen uitdrukken. In deze overtuiging is er sprake van een ‘kritisch punt’, eenmaal dat punt bereikt treedt er een zelf draaiend wil in werking. Taal evolueert op dezelfde wijze als alle andere aspecten van de levende natuur, ook een fantasierijke taal evolueert, van een echte missing link kan geen sprake zijn. Wat ik mij gisteravond echter realiseerde is dat wij menen dat de mens een 100.000 jaar over een ‘volwaardige’ taal beschikt, een fantasierijke taal, terwijl daarvoor onweerlegbaar bewijs ontbreekt. Wie verteld mij dat de ontwikkeling van een volwaardige taal niet pas de laatste 15000 jaar tot ontwikkeling is gekomen? Onze beeldvorming over de evolutie van taal gaat gepaard met nogal wat vooroordelen met betrekking tot taal zelf die zelf weer betrokken wordt op de voorgeschiedenis van taal. De grotschilderingen bewijzen namelijk helemaal niet of de ‘moderne mens’ toentertijd daadwerkelijk over een fantasierijke taal beschikte. De vraag is namelijk hoeveel betekenis er daadwerkelijk in die tekeningen besloten lagen voor de makers zelf. Als ik eerlijk ben, heb ik best zo mijn redenen te denken dat wij meer betekenis in de tekeningen zien en leggen  dan dat de makers ervan erin hebben gezien of gelegd. Heeft de paleontoloog niet per ongeluk een bril op waardoor we als het ware op dezelfde wijze naar de oermensen kijkt als de makers van de Flinstones? Als ik namelijk de ontwikkeling van de taal langs de materiële weg leg, heb ik eigenlijk meer redenen mij te bedenken dat een fantasierijke taal het product is van laten we zeggen de afgelopen 20.000 jaar en dat bijvoorbeeld de grotschilderingen eerder gezien moeten worden als curiositeiten, aanzetten tot de ontwikkeling van fantasierijke taal. De beelden uitgebeeld door de voorhistorische mensen verraden in ieder geval een hoge mate van realisme en veel minder van artistiek fantasierijke beleving waarin veel betekenis in de cultuuruitingen zijn gelegd. De natuurvolken waarvan we thans nog kennis van hebben kunnen vernemen, representeren zij ook de mens van 40.000 jaar geleden? Heeft de klok bij deze volkeren stil gestaan? Het gegeven dat cultuuruitingen niet op één plek is ontstaan maar op verschillende plaatsen doet in ieder geval iets heel anders vermoeden.

Een mis duiding is bepaald niet zonder gevolgen. Zo gaan we ervan uit dat de oermensen heel bedrijvig waren met de taal. De oerromantiek van oervolken rond het kampvuur dat elkaar verhalen vertelde, de natuurreligies, overleveringen van verhalen, maar strikt genomen hebben we geen enkel inzicht ‘in hoeverre’ die taalsystemen zich hebben ontwikkeld. Vast staat is dat je met een woordenschat van 100 woorden veel kunt doen met betrekking tot voortbestaan en dat een fantasierijk ‘gebruik’ van de tekens geen voorwaarden ervan zijn.