Over taal in wetenschap, media en filosofie

Friedrich Nietzsche; over de eenzame

Friedrich Nietzsche over de eenzame

“Maar levende metgezellen heb ik nodig, die mij volgen omdat ze zichzelf willen volgen – en wel daarheen waar ik wil.
Een licht is mij opgegaan: niet tot het volk moet Zarathoestra spreken, maar tot metgezellen! Zarathoestra moet niet de herder en de hond van een kudde worden!
Om velen weg te lokken van de kudde – dáárvoor ben ik gekomen. Volk en kudde moeten toornig op mij zijn: rovers wil Zarathoestra voor de herders heten. Herders zeg ik, maar zij noemen zich de goeden en rechtvaardigen. Herders zeg ik, maar zij noemen zich de gelovigen van het ware geloof.
Zie toch de goeden en rechtvaardigen! Wie haten zij het meest? Hem die hun waarde-tafelen breekt, de breker, de wetten-breker: – maar dat is de scheppende.”
(Friedrich Nietzsche, Also Sprach Zarathoestra, proloog paragraaf 9)

Welke mensen wil Friedrich Nietzsche eigenlijk van de kudde weglokken? Het zijn enkelingen, het zijn de eenzame. Waarom nu juist de eenzame en wie is die eenzame? Friedrich Nietzsche is in het geheel niet politiek geëngageerd, hij moet niets hebben van het politieke spectrum van de hedendaagse democratie; geen socialisme, geen neoliberalisme, geen nationalisme, niets van dit alles. Eigenlijk al die ideeën die leiden tot het monopoliseren van de ander, de ander tot slaaf maakt van het collectief is hetgeen wat hij verwerpt, dat wil zeggen het hele hedendaagse politieke spectrum! Met betrekking tot het kuddevolk spreekt Friedrich Nietzsche over de overtolligen, de veel te velen.

Over de vliegen op de markt.
‘Vlucht, vriend, in uw eenzaamheid! Ik zie u verdoofd door het lawaai van de grote mannen en gestoken door de angels van de kleine.

Waardig weten wou en rots met u te zwijgen. Ga weer lijken op de boom die u liefhebt, de boom met zijn brede takken: stil en luisterend hangt hij boven de zee.
Waar de eenzaamheid ophoudt, daar begint de markt; en waar de markt begint, daar begint ook het lawaai van de grote toneelspelers en het gezoem van de giftige vliegen.
In de wereld zijn zelfs de beste dingen nog niets waard zonder iemand die ze ten tonele brengt: grote mannen noemt het volk die ten-tonele-brengers.
Niet veel begrijpt het volk van het grote, dat wil zeggen: het scheppende. Maar wel heeft het volk zinnen voor alle ten-tonele-brengers en toneelspelers van grote dingen.
Om de uitvinders van nieuwe waarden draait de wereld: – onzichtbaar draait zij. Maar om de toneelspelers draait het volk en draait de roem: dat is ‘s werelds loop. 
Geest heeft de toneelspeler, maar weinig geweten van de geest. Hij gelooft altijd in dat waarmee hij het sterkst kan dóén geloven, – doen geloven in hem!
Morgen heeft hij een ander geloof en overmorgen weer een ander. Hij heeft snelle zinnen, zoals het volk, en veranderlijke neigingen.
Omverwerpen – betekent voor hem: bewijzen. Gek maken – dat betekent voor hem: overtuigen. En bloed geldt voor hem als het beste argument.
Een waarheid die alleen gevoelige oren binnenglipt noemt hij leugen en niets. Voorwaar, hij gelooft alleen in goden die veel lawaai maken in de wereld!
Het wemelt van de plechtige potsenmakers op de markt – en het volk beroemt zich op zijn grote mannen en beschouwt als die heren van het uur.
Maar het uur dringt hen: dus dringen zij u. En ook van u willen ze een ja of nee. O wee als u uw stoel tussen ‘voor’ of ‘tegen’ wilt plaatsen!
Wees niet jaloers op die onvoorwaardelijken en dringenden, oh liefhebber van de waarheid! Nog nooit heeft de waarheid een onvoorwaardelijke een arm gegeven.
Ga vanwege die plotselingen terug naar uw zekerheid: alleen op de markt word je met ja? of nee? overvallen.
Langzaam gaat alles bij alle diepe bronnen: lang moeten ze wachten tot ze weten ‘wat’ er in hun diepte is gevallen.
Ver van markt en roem begeeft zich al wat groot is: ver van markt en roem hebben van oudsher de uitvinders van nieuwe waarden gewoond.
Vlucht vriend, in uw eenzaamheid: ik zie u gestoken door giftige vliegen. Vlucht daarheen waar een gure, harde wind waait!
Vlucht in uw eenzaamheid! U hebt te dicht bij de kleinen en armzaligen gewoond. Ontvlucht hun onzichtbare wraak! tegenover u zijn ze niets anders dan wraak.
Hef u armen niet tegen hen op! Ontelbaar zijn ze, en het is niet uw lot om vliegenmepper te zijn.
Ontelbaar zijn ze, die kleinen en armzaligen; en voor menig trots bouwwerk waren regendruppels en onkruid al genoeg om het te laten instorten.
U bent geen steen, maar door de vele regendruppels bent u al uitgehold. Breken en barsten zult u nog van al die druppels.
Ik zie u vermoeid door giftige vliegen, ik zie u tot bloedens toe gekrabd op honderd plekken; en uw trots wil zelfs nog niet toornig zijn.
Bloed willen ze van u in alle onschuld, bloed begeren hun bloedeloze zielen – en ze steken erop los in alle onschuld.
Maar u, diepe, lijdt zelfs aan kleine wonden te diep. En nog voordat u genezen was, kroop dezelfde giftige worm al over uw hand.
Te trots bent u om die snoepers te doden. Maar pas op dat het u lot niet wordt om al hun giftige onrecht te dragen!
Ze zoemen ook om u heen met hun lof: opdringerigheid is dat loven van hen. Ze willen de nabijheid van uw huid en van uw bloed.
Ze vleien u als een god of een duivel; ze kermen voor u als een god of een duivel. Wat doet het ertoe! Vleiers zijn het en kermers en meer niet.
Ook doen ze in uw gezicht vaak vriendelijk. Maar dat is altijd de slimheid van de lafaards geweest. Ja, lafaards zijn slim!
Ze denken veel over u na met hun benauwde ziel, – voortdurend bent u denkelijk voor hen! Alles waar veel over wordt nagedacht wordt bedenkelijk.
Ze bestraffen u voor al uw deugden. Ze vergeven u in feite alleen uw misgrepen.
Omdat u mild bent en rechtvaardig, zegt u: “Het is niet hun schuld dat ze zo’n klein bestaan hebben.” Maar hun benauwde ziel denkt: “Het is de schuld van al het grote bestaan.”
Zelfs als u mild voor hen bent, voelen ze zich door u veracht; en voor uw weldaden geven ze u stiekem weedaden terug.
Uw woordloze trots gaat altijd tegen hun smaak in; ze juichen als u eens bescheiden genoeg bent om ijdel te zijn.
Dat wat wij in een mens waarnemen, dat ontsteken we ook in hem. Dus wacht u voor de kleinen!
Tegenover u voelen ze zich klein, en hun geringheid glimt en gloeit tegen u in onzichtbare wraak.
Hebt u niet gemerkt dat ze vaak verstomden als u hen naderde, en dat hun kracht hen verliet zoals rook een uitdovend vuur?
Ja, vriend, het kwade geweten bent u voor uw naasten: want zij zijn u onwaardig. Daarom haten ze u en zouden ze graag u bloed drinken.
Uw naasten zullen giftige vliegen zijn; dat wat groot aan u is, – juist dat maakt hen giftiger en steeds vliegachtiger.
Vlucht, vriend, in uw eenzaamheid en daarheen waar een gure harde wind waait! Het is niet uw lot om vliegenmepper te zijn.’ –

Zo sprak Zarathoestra (Friedrich Nietzsche, Also sprach Zarathoestra, deel 1, over de vliegen op de markt)

Waarom zou je na deze woorden van Friedrich Nietzsche zijn werken op de markt willen populariseren? Waarom zou je die boodschap van Friedrich Nietzsche datgene wat het volk, het gepeupel, de veel te velen, de overtolligen verachten en haten aan hen willen overbrengen?  Ik kan niet anders dan erkennen dat ik deze paradox ook in mijzelf herken. Waarom steek je energie in zaken dat maar één antwoord verdiend; doodzwijgen! De populariseerders van Friedrich Nietzsche zijn niet de boodschappers van Friedrich Nietzsche, de academici zijn de overtolligen, het gepeupel, de veel te velen waar Nietzsche het over heeft; De vliegen op de markt, de grote mannen van het volk, de ten-tonele-brengers! Het zijn de mensen die hun ego, hun zijn, afmeten aan de kudde. 

Hetgeen Friedrich Nietzsche beschrijft is in lijn met de evolutietheorie. Richard Dawkings heeft terecht bewezen dat het individu oorzaak is van aanpassingen, van het scheppende waar Nietzsche naar op zoek is. Daar tegenover staat groepsdruk, socialisatie, gij zult, de kudde dat het scheppende individu in toom houdt, het scheppende ondermijnt. Leidse studenten hebben biergist cellen laten evolueren, voor een paar scheppende biergist cellen heb je miljoenen biergist cellen nodig,het aantal van zeventien Nederlanders is tegenwoordig te weinig om nog scheppende krachten ontwikkelen1).  Friedrich Nietzsche heeft bepaald geen positief oordeel over de kuddemens; achterklap, veinzen, samenspannen, schijnheiligheid, de tartufferie, list en bedrog, manipulatie. Ooit een kuddedier gezien, of het nu een socialist, neoliberaal of nationalist is, dat niet drie keer per dag breekt met het geliefkoosde categorisch imperatief van Immanuel Kant? De kuddedier is een geboren Judas en Jezus het vleesgeworden woord! Er zijn twee oeroude strafinstincten die nog in de mens werkzaam zijn, die van sociale uitsluiting en het ontnemen van materiële middelen. Sociale uitsluiting is een bedreiging voor het dier, want buiten de groep heeft een dier niet de bescherming van de kudde wat zijn overlevingskansen doet verminderen. De ander komt voort uit het gegeven dat de hoogste in rang het eerste mag eten, het beste voor zichzelf mag houden en de restjes aan de lagere rangorde vergeeft. Over één ding hoef je bij de elite socialist geen zorgen te maken, dat is dat men zichzelf als eerste goed toebedeeld. Deze twee vormen van straf zie je in alle geledingen van de samenleving terug, het ‘behandelen’ binnen de psychiatrie is daarop gericht op het moment dat de patiënt zich niet aan de kudde conformeert, dat wil zeggen; de herders, de hoogste in rang, de deskundigen. Hoe bereiken deze deskundigen hun doelen? Precies wat Friedrich Nietzsche waarnam; achterklap, samenspannen, veinzen, manipuleren, list en bedrog!

Also sprach Zarathoestra – deel 1 ‘over de weg van de scheppende’

‘Wilt u, broeder de eenzaamheid in gaan?’ Wilt u de weg naar uzelf zoeken? Talm nog even en luister naar mij. “Wie zoekt, die gaat makkelijk zelf verloren. Alle eenzaamheid is schuld” – zo spreekt de kudde. En u hebt lang tot de kudde behoord.
De stem van de kudde zal ook in u nog klinken. En als u zegt “U en ik hebben niet meer één geweten”, dan zal dat een klacht en een pijn zijn. 

 

  1. O wee! De tijd komt dat de mens niet meer de pijl van zijn verlangen over de mens heen schiet en dat de pees het snorren heeft verleerd!
    Ik zeg u: om een dansende ster te baren, moet je nog chaos in je hebben. Ik zeg u: u hebt nog chaos in u.

    O wee! De tijd komt van de verachtelijkste mens, die zichzelf niet meer kan verachten.
    Zie, ik toon u ‘de laatste mens’.