Over taal in wetenschap, media en filosofie

Argumenten tegen het argument dat iedere kritiek op de metafysica zelf metafysica is

 – Dit argument impliceert dat objectiviteit alleen dan mogelijk is wanneer het argument zelf buiten de fysica staat.  Dit is het gevolg  van het  gegeven dat je in een cirkelredenatie belandt op het moment dat je objectiviteit binnen de fysica vooronderstelt, immers dat wat je vraagt moet immers eerst zelf bewezen worden.

– Volgens mij heb ik het raadsel opgelost als ik het raadsel van het wat heb opgelost, want het ligt in de functie van het wat dat het zich altijd betrekt op het singuliere, de oplossing ligt daar waar ik de brug kan maken naar het algemene.

– Het algemene is alleen dan absoluut geldig wanneer twee zaken identiek zijn. In het geval van tijd en ruimte is dit nooit het geval, per definitie is het algemene altijd ongeldig. Dit is het bewijs dat idealisme absoluut ongeldig is

– Als de logische consequentie is dat wat buiten de fysica staat altijd ongeldig is , moet er een logica zijn die geldigheid van binnen verklaard, met andere woorden, er is iets mis hoe wij de logica tot een cirkelredenering herleiden.

-Elke logica begeeft zich al binnen de logische ruimte, binnen het domein van de natuur. Hume heeft gelijk als het gaat om dat is naadloos overgaat naar behoren, want alleen de metafysica kan ons de absolute geldigheid geven, de absolute zekerheid verschaffen, het universele van de wereld waarmaken.

– idealisten gebruiken een vals argument, niet anti metafysicus hoeft te bewijzen dat de wereld universeel is, het is de idealist dat de eigen vooronderstelling dient te bewijzen! Is ooit bewezen dat ‘waardebepaling’ aan universele wetten onderhevig is? De idealist gaat uit van de vooronderstelling dat de  wereld absoluut universeel is,  de bewijslast ligt daarvan ligt echter niet bij de anti metafysicus., ik weet immers wel dat de wereld een universeel karakter heeft volgens de logica van de natuurkundigen, dat wil echter niet zeggen dat dezelfde universaliteit overal geldig is, bijvoorbeeld op de levende natuur. Objectiviteit kan alleen uit de gratie van de universaliteit bestaan, metafysica is de garantstelling van deze objectiviteit, de objectiviteit die vervolgens de metafysica, een objectiviteit dat zelf eerst bewezen dient te worden, wat wil zeggen wederom een cirkelredenering. (kan dat eigenlijk ook wel anders? Want elk ‘wat’ dat zich als het algemene veronderstelt moet eerst zichzelf bewijzen, waar juist bewezen is dat het absoluut algemene ongeldig is)

– denken is de natuur zelf, wil  en/of kan de natuur  zichzelf kennen? De mogelijkheid dat de mens zich imaginair buiten de natuur kan plaatsen  is afkomstig van de natuur zelf, dus deze mogelijkheid is dus ook weer natuur zelf. De objectiviteit is door natuur zelf ingegeven. Objectiveren  is in dit geval als het uitdijend heelal , wat zich over de  rand begeeft heet niets maar daar breidt tijd en ruimte wel naar uit, zo evengoed breidt logica zich uit naar niets, maar het objectiverend vermogen  blijft wel steeds binnen de natuur zelf als empirisch gegeven. Elke voortgang in het proces van wetenschappelijke vooruitgang blijft dus binnen de logische ruimte zelf, de natuur zelf, deze breidt zich uit gelijk het universum zich uitbreidt.